Indianen -Verhalen, -Sages, -Mythen en -Legendes
Voorwoord...
Indianen Verhalen, Sages, Mythen en Legendes werden in vroege tijden bij de Noord-Amerikaanse Indianen vaak verteld in de wintermaanden aan hun kinderen, als het buiten guur en koud was.
Men zat dan rond het kampvuur en men luisterde aandachtig naar de verhalen.
Vaak hebben deze verhalen ook een diepe betekenis, een bedoeling.
Een leer voor je verdere leven.
De verhalen leven nog steeds bij veel Indiaanse volken van nu.
En velen geloven er nog steeds in.
Hebt u nog Indianen verhalen waarvan u meent dat deze ook op deze pagina horen.
schrijf ons dan gerust.
Have you a Indian story, which we can place, whrite us.
![]()
DE
OORSPRONG
VAN DE
BIZON DANS.
Toen de bizons voor het eerst op het land verschenen, waren zij niet vriendelijk tegenover de mensen. De jagers probeerden om de bizons te overhalen om in de afgrond te springen. De bizons aarzelden om zich op te offeren voor het welzijn van de dorpen. Ze wilden niet dienen om te worden omgevormd tot dekens of gedroogd vlees voor de winterrantsoenen. Zij wilden hun hoeven en hoorn niet als hulpmiddelen laten gebruiken noch stemden zij toe dat hun pees zou gebruikt worden voor het naaien. "Nee, nee," zeiden ze. Wij zullen niet in jullie vallen lopen. En wij zullen niet in jullie listen lopen". Dus toen de jagers hen naar het kloof leidden, zouden zij zich altijd afwenden op het allerlaatste ogenblik. Door het gebrek aan samenwerking zouden de dorpbewoners hongerig, koud en haveloos zijn tijdens de wintermaanden.
Nu had één van de jagers een dochter die zeer trots was op de vaardigheid van haar vader met de boog. Tijdens de zomermaanden bracht hij haar altijd de beste huiden om zich te kleden en zij maakte op haar beurt de hertenvellen in de zachtst en witste kledingstukken voor hem om te dragen. Haar eigen kleding vergeleek men met de dons van een sneeuwgans en de mocassins die zij voor de kinderen en de grootmoeders in het dorp maakte waren de meest welkome van alle giften.
Maar nu met de komst van de sneeuw de herten schaarser in de wilgenbossen voorkwamen, kon zij zien dat de tegenwerking van de bizonkuddes hen echt in de problemen zou brengen.
De dochter van de jager besliste dat zij iets zou doen aan het probleem.
Zij ging naar de basis van de afgrond en keek omhoog. Zij begon in een lage, zachte stem te zingen, "Oh, bizonfamilie, komt naar beneden en bezoek me. Als u naar beneden komt en mijn verwanten op een huwelijksfeest voedt, zal ik lid worden van uw familie als bruid van uw sterkste strijder."
Ze hield op met zingen en luisterde. Ze dacht ze het lichte, rollende geluid van donder in de verte hoorde.
Opnieuw zong zij, "Oh, bizonfamilie, komt naar beneden en bezoek me. Voed mijn familie in een huwelijksfeest zodat ik een bruid kan zijn."
De donder was nu veel luider. Plotseling viel de bizonfamilie vanuit de hemel aan haar voeten.
Één zeer grote stier landde bovenop anderen, en liep over de ruggen van zijn verwanten en kwam vóór de dochter van de Jager staan.
"Ik kom hier om u als mijn bruid op te eisen," zei de grote bizon.
"Oh, maar nu ben ik te bang om met u te gaan," Zei de dochter van de jager.
"Ah, maar u moet." Zei de grote bizon, "want mijn kudde is gekomen om uw mensen van een huwelijksfeest voorzien. Zoals u kunt zien, hebben zij zichzelf opgeofferd."
"Ja, maar ik moet mij haasten en mijn verwanten het goede nieuws vertellen," zei de dochter van de jager. "Nee, zei de grote bizon". Je hoeft het hen niet te gaan vertellen. Je gaat niet zo gemakkelijk weg geraken."
Dat gezegd zijnde, hief de Grote bizon haar tussen zijn hoornen op en vervoerde haar weg naar zijn dorp in de rollende grasheuvels.
De volgende ochtend zocht het hele dorp naar de dochter van de jager. Toen zij de hoop bizons onderaan de kloof vonden, keek de vader, die in feite een goede spoorzoeker, evenals een bekwame jager was, naar de voetafdrukken van zijn dochter in het stof.
"Zij is met een bizon meegegaan", zei hij. "Ik zal hen volgen en haar terugbrengen."
Zo gezegd, zo gedaan, de Jager stapte op de vlaktes, met slechts zijn boog en pijlen als metgezellen. Hij liep en liep een grote afstand tot hij zo vermoeid was die hij moest gaan zitten, naast een bizonpoel om te rusten.
Ekster kwam langs en ging naast hem zitten.
De jager sprak Ekster aan op een eerbiedige toon, "O goed geïnformeerde vogel, is mijn dochter ontvoerd door een bizon? Hebt u hen gezien? Kunt u me vertellen waar ze zijn?"
Ekster antwoordde met begrip, "ja, ik heb hen hier zien voorbij gaan. Ze rusten net over deze heuvel."
"Goed," zei de jager, zou u zo vriendelijk willen zijn en mijn dochter een bericht van me geven? Wil je haar vertellen dat ik hier vlak over de heuvel zit?"
Zo vloog Ekster naar waar de Grote bizon in het droge prairiegras met zijn verwanten lag te slapen. Hij huppelde naar de dochter van de jager, die plichtsbewust naast haar slapende echtgenoot mocassins aan het quillen was. "Uw vader wacht op u aan de andere kant van de heuvel," fluisterde Ekster tegen het meisje.
"Oh, dit is zeer gevaarlijk," zij vertelde hem. Deze buffels zijn niet vriendelijk tegen ons en zij zouden kunnen proberen om mijn vader te kwetsen als hij zomaar hierheen zou komen. Gelieve te vertellen hem om op me te wachten en ik zal proberen weg te glippen om hem te zien."
Net toen werd haar echtgenoot, de grote bizon wakker en hief zijn hoorns op. "Breng drinken van poel hier net over deze heuvel," zei haar echtgenoot.
Zo nam zij de hoorn in haar hand en liep zo rustig mogelijk over de heuvel.
Haar vader deed stil teken aan haar om bij hem te komen, terwijl hij zich klein maakte in het gras. "Nee," fluisterde ze. De bizons zijn boos op onze mensen die hun kudde hebben gedood. Zij zullen ons achtervolgen en vertrappelen in het stof. Ik zal teruggaan en zien of ik hen wat kan sussen."
En zo nam de dochter van de jager de hoorn met water terug naar haar echtgenoot die luid snurkte toen hij de drank aannam. Het snurken ging over in een luid gegrom en alle bizons sprongen op door dit alarm. Zij zetten allen hun staarten in de lucht en dansten een bizondans over de heuvel, vertrappelend de arme man, die nog op zijn dochter dicht bij de bizonpoel wachtte.
Zijn dochter ging op de rand van poel zitten en barste in tranen uit. "Waarom ween je?" Vroeg haar bizonechtgenoot.
"U hebt mijn vader gedood en bovendien ben ik een gevangene," zei ze snikkend.
"Wat dacht je van mijn kudde?" antwoordde haar echtgenoot. "Wij hebben onze kinderen, onze ouders en sommige van onze vrouwen opgegeven voor jouw verwanten in ruil voor jouw aanwezigheid onder ons. Een overeenkomst is een overeenkomst."
Maar na wat na te denken over haar gevoel, knielde de Grote bizon neer naast haar en zei tegen haar, "als je je vader opnieuw tot leven kunt brengen, zullen wij hem jou terug naar huis laten nemen naar je volk."
De dochter van de jager begon een klein lied te zingen. " Ekster, Ekster helpt één of ander stuk van mijn vader te vinden zodat ik alles kan herstellen.
"Ekster verscheen en ging voor haar zitten met zijn hoofd opzij gebogen.
"Ekster, Ekster, zie alstublieft wat je kunt vinden," zong ze zacht aan de wind die de grassen lichtjes opzij boog. Ekster boog zijn hoofd en keek zorgvuldig tussen de vouwen grassen terwijl de wind opnieuw zuchtte. Snel koos hij een stuk van haar vader uit die daar lag verborgen, een stukje been.
"Dat zal genoeg zijn om de truc te doen," zei de dochter van de jager, aangezien zij ter plaatse het been zette en het met haar deken behandelde.
Toen begon ze een overlevingslied te zingen dat de kracht had om verwonde mensen terug naar het land te brengen van de levenden. Stil zong ze het lied dat haar grootmoeder haar had geleerd. Na een paar melodieuze refreinen, zag ze iets onder het deken liggen. Zij en Ekster keken onder de deken en konden een mens zien, maar de man ademde niet. Hij was zo koud als steen. De dochter van de jager bleef zingen, iets zachter, en toen nog iets zachter zodat haar vader niet zo opschrikken aangezien hij zich begon te bewegen. Toen hij opstond, levend en sterk, waren de bizons verbaasd. Ze vroegen aan de dochter van de jager, "zal je dit lied voor ons na elke jacht zingen? Wij zullen uw mensen bizon dans aanleren, zodat wanneer jullie vóór de jacht dansen, jullie een goede jacht zal worden verzekerd. Dan zal jij dit lied voor ons zingen en zullen wij allen terugkomen om opnieuw te leven."
Shungila Taniya
![]()
De eerste verhalen komen uit het Volksverhalen Almanak.
En zijn met toestemming op Real Indian Nation geplaatst.
http://www.beleven.org/verhalen/
![]()
Om te beginnen heb ik hieronder een Link die verwijst naar Native Americans Legends.
Here I have a Link that refers to the Native American Legends.
http://opossumsally.homestead.com/NAL.html
![]()
Deze onderstaande Link verwijs u naar enorm veel Indiaanse Legendes.
Real Indian Nation Kreeg toestemming van Paul Burke om deze te plaatsen
Op onze website.
Real Indian Nation got authorisation of Paul Burke for seating these Indian Legends.
Our thanks for that.
http://www.firstpeople.us/FP-Html-Legends/Legends-AB.html
![]()

Hoe de Dieren op de wereld kwamen.
Een scheppingssprookje van de Amerikaanse Indianen.
Lang geleden, toen de wereld nog jong was, Leefde het opperhoofd, de Zon, in een tent in de lucht.
De hele dag scheen hij en verwarmde hij de wereld onder hem.
De krachtige Napi hielp hem hierbij.
Op een dag was Napi eerder klaar dan de Zon.
Hij ging bij de bron zitten en rookte rustig zijn pijp.
Om de tijd te doden pakte hij een stuk klei en begon te kneden.
Even later had hij een diertje in zijn handen.
Hij maakte er nog één en nog één tot hij alle dieren had die nu op aarde leven.
Napi zette de dieren op een platte steen om ze te laten drogen.
toen ging hij weer zitten en rookte zijn pijp.
Na een poosje pakte hij het eerste dier, blies erop en zei: "Ga mijn zoon, je bent een Bizon en je zult in de Bergen leven".
Hierna pakte hij één voor één de kleidiertjes op, blies erop en zo kwam er een Antilope, een Hert, een Bever, een Bergschaap, een Das, en alle andere dieren.
Hij gaf elk dier een naam en vertelde waar ze moesten wonen.
Eén stuk klei bleef liggen op de platte steen.
Napi bekeek het en zei: "Ga maar mijn zoon, jij bent een mens en je zult bij de wolven leven!"
En zo kwamen de dieren op de Wereld en met hen de mens.
Toen alle dieren een naam en een huis hadden, dacht Napi iedereen tevreden was.
Maar dat was niet waar.
Na een paar dagen kwam Napi weer naar de bron om te rusten.
Hij zat net toen alle dieren naar hem toekwamen gehold om hem te vertellen dat ze niet tevreden waren.
De eerste die sprak was de Bizon en die zei:"Napi, je heb het niet goed geregeld, we zijn niet gelukkig".
"Waarom zijn jullie dan niet gelukkig?" vroeg Napi, ik begrijp het niet, na alles wat ik voor jullie gedaan heb!".
"Ik kan niet leven in de Bergen, "zei de Bizon, "Ze zijn zo steil dat ik niet kan lopen en zo hard dat mijn hoeven pijn doen.
Er is ook te weinig gras in de Bergen, Napi, daarom kan ik er niet leven.".
Het Bergschaap zei: "Napi, ik kan niet leven op de vlaktes, ik kan er niet klimmen en er groeit geen mos om te eten."
Napi luisterde naar alle dieren, de Bizon en het Bergschaap, de Antilope en de Beer, en de geit en de Wolf.
Toen zei hij: "Ik begrijp het, mijn kinderen. Ik zal de wereld opnieuw verdelen tussen jullie. Alle dieren die gelukkig zijn op de vlaktes gaan met de Bizon mee, alle dieren uit de Bergen gaan met de Bergschaap mee. En jij mens, jij mag ook in een gebied leven."
En zo had Napi de Wereld opnieuw verdeeld onder de dieren en ze waren allemaal gelukkig.
Alleen de mens nog niet, hij wandelde maar rond en ging naar elk hoekje op de aarde.
Daarom kun je nu overal op de aarde mensen vinden.

De legende van de maïs
De oorsprong van de maïs volgens de Noord-Amerikaanse indianen.
Heel lang geleden voerden de indianen stammen oorlog met elkaar. Het werd heel moeilijk om rond te reizen, want iedere stam verdacht de reizigers ervan spionnen te zijn van de vijandige stam.
Toch trokken een oude vrouwen haar kleinzoon van tentenkamp naar tentenkamp, op zoek naar een stam die hen wilde opnemen, want zij hadden geen familie meer. Maar overal waar zij kwamen, werden ze geweerd.
Op een dag kwamen ze bij indianen die hen verzochten naast het vuur te gaan zitten en mee te eten. Het stamhoofd zei tegen de oude vrouw: 'U kunt bij ons blijven, als u niet bang bent honger te lijden. Er is niet veel wild op ons land, maar het weinige voedsel dat we hebben, willen we graag met jullie delen.' - 'Wij hebben niet veel nodig', antwoordde de grootmoeder. 'En ik kan voor jullie werken. Ik zal voor de kinderen zorgen terwijl de ouders op zoek gaan naar voedsel.'
De volgende dag gingen de mannen zoals gewoonlijk jagen en gingen de vrouwen fruit en planten plukken en water halen. De kinderen bleven alleen achter. Dit was een mooie kans om de hele dag te spelen, zonder te worden lastiggevallen door de grote mensen! Maar ze hadden niets te eten... Hun ouders kwamen pas 's avonds terug van het jagen of vruchten plukken, en het was een lange dag voor hun kleine maagjes.
Die dag speelden de kinderen heel lang en werden ze geroepen door de oude vrouw toen ze moe begonnen te worden. Nieuwsgierig kwamen de kinderen naar haar toe.
'Maar wat doe jij, grootmoeder?' vroeg een van de kinderen. 'Ik maak maÏssoep voor jullie klaar', antwoordde ze terwijl ze in een grote pan dikke soep roerde.
Dat hadden de kinderen nog nooit gezien, maar toen ze eenmaal van de soep hadden geproefd, wilden ze meer! Toen hun buikjes vol waren, gingen ze om de oude vrouw heen zitten, zoals kuikentjes om hun moederkip. De oude vrouw vertelde de kinderen prachtige verhalen. En vanaf die dag ging het iedere dag zo. Dankzij de maïs van de oude vrouw kenden de kinderen geen honger meer, en leerden ze allerlei verhalen!
Zo gingen er maanden voorbij en de oude vrouw begon steeds vermoeider te raken. Toch maakte zij nog steeds het eten voor de kinderen klaar. Op een dag had ze niet eens meer de kracht om op te staan; maar vond haar kleinzoon 's middags naast haar een pan met soep. Ze zei tegen hem: 'Ik heb maïs gezaaid, en die is goed gegroeid. Maar de maïs moet nog wel besproeid en gewied worden. Jij moet daarvoor zorgen, samen met de andere kinderen.'
Dat waren haar laatste woorden, maar ze ging door met soep geven totdat de maïskolven rijp waren. Toen haar kleinzoon die dag in haar tent kwam, zag hij niemand. Hij zag haar nooit,meer terug: ze was veranderd in maïs. Wanneer je nu een maïskolf ziet in bladeren gehuld, zie je altijd zilveren draden: dat zijn de haren van de goede oude vrouw die voor maïs heeft gezorgd, zodat de indianenkinderen geen honger lijden.

Hoe de beer zijn staart verloor.
Een fabel van de Iroquois Indianen (Noord-Amerika).
Lang geleden, had de beer een mooie, lange bontstaart.
Hij was fier op zijn staart en liet de mensen tot vervelens toe altijd rond hem lopen om zijn staart te bewonderen.
Hij vroeg aan iedereen: "Is mijn staart niet de mooiste staart die u ooit zag?"
De mensen vonden hem zeer verwaand, maar ze waren bang van zijn grote klauwen en wilden hem niet boos maken.
Dus zeiden ze steeds dat hij de mooiste staart had.
Op een koude winterdag ging de beer naar het meer.
De vos zat op het bevroren water, waaronder talrijke vissen rondzwommen.
Naast hem lagen al een groot aantal vissen die hij gevangen had.
Hij wist dat de beer honger had en besliste een list met hem uit te halen.
"Hallo, broer vos," sprak de beer, terwijl het water uit zijn mond liep, "waar heeft u al die vissen vandaan?"
"Ik heb ze gevangen, door dit gat in het ijs," zei de vos.
"En waarmee dan?" vroeg de beer verwonderd"
"Met mijn staart," antwoordde de vos.
"Zal ik u tonen hoe het moet?" vroeg de vos aan de beer.
"Ja, graag," antwoordde deze.
Hij ging met de beer naar een plaats op het ijs waar het water ondiep was en zei tegen de beer dat hij met zijn klauwen een gat moest maken in het ijs.
Toen dat gedaan was, zei hij: "Ga nu gewoon zitten en laat uw staart in het ijs zakken.
Telkens er een vis bijt, zal je dat wel voelen, wacht lang genoeg, dan kan je er alle vissen tegelijk uittrekken."
"Ik zal meer vissen aan mijn staart krijgen dan jij," zei de beer, "want mijn staart is langer en mooier dan die van jou."
De beer zette zich neer en wachtte geduldig.
Hij telde elke vis die in zijn staart verstrikt raakte, maar omdat hij de meeste vissen wilde vangen, bleef hij maar zitten. Uiteindelijk viel hij in slaap.
Het werd zeer koud en het begon te sneeuwen.
De vos ging naar huis en nam zijn vissen mee.
Een paar uur later kwam de vos terug naar het meer.
De beer sliep nog steeds en zijn zwarte bontlaag was wit van de sneeuw.
De vos schoot in een lach en zei bij zichzelf: "Dit was nogal eens een grap."
Toen hij uitgelachen was schreeuwde hij: "Hé, beer, er hangen vissen aan uw staart, voel jij dat niet?"
De beer schrok wakker en wilde recht springen maar dat ging niet.
"Ik kan niet meer recht," zei de beer.
"Misschien van het gewicht van al die vissen," zei de vos. "Trek wat harder!"
De beer sprong met een ruk omhoog en zijn bevroren staart brak af.
Het enige wat overbleef was een kleine stomp.
"Mijn staart, mijn staart," huilde de beer maar de vos liep lachend weg.
En zo komt het dat de beren nu nog slechts een korte staart hebben.
Als je ooit een beer hoort kreunen, is dat omdat hij zich zijn grote, zwarte, mooie staart herinnert.

Hoe de Wayuu het weven leerden.
Een Venezolaanse legende over de weefster Waleker.
Irunúu, een Guajiro jager, ontmoette op de terugweg naar zijn huis een invalide meisje dat Wokoloonat heette.
Hij voelde diep medelijden en nam haar mee om bij hem en zijn zussen te komen wonen.
De zussen vonden dat helemaal niet leuk, want ze was lelijk en haar verzorging bezorgde een boel werk.
Het waren luie zusters en ze hadden bovendien een slecht hart.
Om hun broer te behagen deden ze net of ze haar accepteerden, maar zodra hij van huis was verzonnen ze eindeloos manieren om het invalide kind te pesten.
Arme Wokoloonat kende pas weer rust als haar beschermer terugkwam.
Irunúu nam dan altijd een klein presentje voor haar mee.
Dat maakte de ellende die de slechte zusters veroorzaakten weer goed.
Niemand kon vermoeden dat Wokoloonat een knappe weefster was.
Die kunst kende voor haar geen geheimen.
Als iedereen sliep veranderde zij in een mooi meisje en vervaardigde prachtige weefsels van gekleurde draden die ze uit haar mond trok.
Nooit zag iemand haar gedaanteverandering en nooit zag iemand haar aan het werk.
En elke dag wéér lag er een prachtig geweven geschenk voor Irunúu.
Iedereen was nieuwsgierig naar de identiteit van de productieve ambachtsvrouw.
De zusters verbaasden zich over de wonderbaarlijke weefsels en vertelden rond dat zij zelf de maaksters waren van al dat moois. Irunúu, die hun luiheid kende, geloofde hen geen moment.
Toen de jager er eens niet was besloten de zusters wakker te blijven om te ontdekken waar de weefsels vandaan kwamen. Ze gingen liggen in een hangmat en wilden net doen of ze sliepen.
Maar de hangmat geweven door het jonge meisje had de onweerstaanbare kracht om een diepe slaap op te wekken en de zusters konden niet wakker blijven.
Zo sliepen ze in zonder dat te willen en zonder het raadsel van de herkomst van de weefsels op te lossen.
Die nacht weefde het meisje koortsachtig door en maakte verschillende kledingstukken voor Irunúu: een mantel, een lendendoek, een ceintuur, een tas en een zakje om amuletten in mee te dragen.
En ze legde alles voor hem klaar.
De slechte zusters, verrukt over de schoonheid van de nieuwe stukken gaven ze cadeau aan de jager.
Ze beweerden weer dat zij ze zelf hadden gemaakt.
Irunúu liet zich nog steeds niet voor de gek houden.
Hij wist zeker dat zijn luie zussen niet in zo'n korte tijd zo'n moeilijk ambacht konden leren.
Hij zou het mysterie zelf wel oplossen.
Op een nacht zag hij licht op de plek waar de ongelukkige Wokoloonat sliep en hij ging kijken wat er gaande was.
Daar zag hij een mooi meisje dat van haar speeksel bolletjes garen trok in de prachtigste kleuren.
En zij weefde!
Zij merkte dat hij haar bespiedde en sprak met hem.
Haar ware naam was Waleker.
Zij was een kind van de nacht en de eenzaamheid, gekomen om weven te leren aan hen die dat niet konden.
Irunúu wilde het meisje aanraken om haar te vragen zich nooit meer te veranderen in het invalide kind.
Maar zij ontweek en smeekte hem het geheim van haar gedaanteverwisseling aan niemand te vertellen.
De volgende dag werd Irunúu gevraagd deel te nemen aan een belangrijke wake.
Hij nam de weefsels van Waleker mee.
Hun pracht wekte de waardering van de overige deelnemers en ze vroegen wie dat moois voor hem gemaakt had.
Het waren helemaal geen vrienden maar jaloerse mensen gestuurd door Wanulúu, de geest van het kwaad.
Maar de jonge jager verloor zijn verstand door hun gevlei en gaf het geheim prijs.
Hij verklapte dat de maakster een jong meisje was dat Waleker heette en 's nachts weefde.
De geest van het kwaad Wanulúu hoorde het en sprak dat hij haar wel zou weten te vinden.
Irunúu keerde terug naar huis en bleef op om Waleker weer te zien.
Ook die nacht veranderde het invalide kind Wokoloonat in de schone weefster.
En ze weefde; ze weefde voor een lange tijd.
Toen keek ze de jonge jager verdrietig aan en verweet hem dat hij haar geheim niet had bewaard.
Het werd al bijna licht toen Irunúu zijn liefde verklaarde aan Waleker.
Zij vluchtte huilend naar buiten, achterna gezeten door de jonge jager.
Ze klom snel in een boom en ging aan een tak hangen die met veel gekraak afbrak.
Hij slaagde erin haar bij de kleren te grijpen, maar in zijn hand bleef slechts wat spinrag achter.
Waleker, de schone weefster, veranderde in een spin en verdween tussen de planten.

Penero en zijn zwager.
Een sprookje van de Surinaamse indianen over bedrog.
Heel lang geleden, zo vertelt een Indiaanse legende, leefden er twee Indianen.
Ze waren zwagers en woonden in een klein dorp.
De ene was een echte scherpschutter.
Hij ging nooit op jacht of hij kwam thuis met wild beladen.
Maar ach, de andere Indiaan, Penero heette hij, kon niets, zelfs geen vogel schieten, laat staan een stuk wild.
Daarom was hij altijd verdrietig, en er was geen mens die hem kon troosten.
Zijn zwager moest niet veel van hem hebben, omdat hij zo'n slecht schutter was.
Deze zwager vatte een boos plan op, namelijk om de slechte schutter kwaad te doen.
Deze wist niet wat hem boven het hoofd hing.
Op zekere dag nodigde de zwager Penero uit om samen te gaan jagen.
Hij moest veel eten meenemen, zo zei hij hem, want de tocht zou enkele weken duren.
Daar gingen ze dan.
Het plan van de zwager was om Penero diep in het bos te brengen, en er dan stilletjes vandoor te gaan.
Dan zou de slechte schutter de prooi worden van de jawan tonomes, dat zijn de wilde dieren.
Nadat ze al een paar dagen op weg waren geweest, zei de boze zwager: "Wacht hier even op mij, ik ben zo terug," en hij verdween tussen de bomen.
Penero wachtte tot vervelens toe, maar zijn zwager kwam niet terug.
Hij besloot toen maar weer naar zijn dorp terug te keren.
Maar dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan.
Hij zocht de weg en kon die niet terugvinden.
Intussen was de zwager in het dorp aangekomen en vertelde aan de familieleden dat een tijger Penero moest hebben verscheurd.
In het bos zocht de verdwaalde intussen naar een weg.
Enkele dagen liep hij en kwam toen aan een breed pad.
Hij keek verbaasd om zich heen.
Hoe kon zo'n brede, schone weg midden in het bos bestaan?
Hij begon de weg af te lopen.
Na een tijdje zag hij in de verte een kampje.
Dichterbij gekomen zag hij een oude Indiaanse man, een vrouw en een kleuter in de hut.
Hij groette beleefd.
Zij lieten hem binnen komen en boden hem een drank aan.
Het leek wel bloed.
Met vrees in het hart dronk hij het op.
Aan de balken van de hut hingen tijgervellen.
"Wat zal er nu met mij gaan gebeuren?" vroeg hij zich angstig af.
De oude man stond op en nodigde hem uit om het erf rondom het kamp te bezichtigen.
Penero wist het niet, maar hij was bij een tijger beland.
De oude man was vader-tijger, en die watertandde al om Penero op te kunnen peuzelen.
Op het erf was een kuil vol scherpe voorwerpen.
De tijger in mensengedaante loerde op een geschikt ogenblik om Penero in de kuil te duwen.
Toen die de kuil zag begreep hij wat hem te wachten stond.
Zonder dralen gooide hij de man in de kuil en ging er vlug vandoor.
Hij begreep dat de oude vrouw zich in een tijgerin zou veranderen en hem zou volgen.
Daarom maakte hij gauw een val, en stelde zich daarna verdekt op achter een boom, tussen de struiken.
Het duurde niet lang of de tijgerin kwam aangestormd en liep regelrecht in de val.
Ze werd door Penero gedood.
Daarna vervolgde hij zijn weg.
Tegen de avond kwam hij bij een kreek.
Daar hoorde hij een kikker kwaken.
Het was Koenoewaroe.
"Och Koenoewaroe," smeekte Penero, "kom mij toch helpen in mijn nood."
De kikker hield op met kwaken, en kort daarna zag Penero een oude Indiaan aan de oever zitten.
Hij vertelde aan de grijsaard wat hem was overkomen.
"Geen nood," zei de oude Indiaan.
"Kom, toon me je pijlen."
Penero liet hem zijn pijlen zien en de oude Indiaan maakte ze schoon.
"Voortaan zul je altijd raak schieten," zei de oude Indiaan, die in werkelijkheid Koenoewaroe was.
Penero zette nu zijn tocht voort, en onderweg schoot hij veel wild.
Na nog een paar dagen zwerven vond hij de weg naar zijn dorp terug.
Met grote blijdschap werd hij ontvangen.
Van die dag af was hij de beste schutter van het dorp.
En zijn zwager schaamde zich diep.

Een jaguar die in een vrouw veranderde.
Een sprookje van de Surinaamse indianen over een geheim bewaren.
Er was eens een man die uitmuntte in het jagen van bosvarkens.
Hoewel zijn vrienden in het bemachtigen van ander wild misschien bekwamer waren dan hij, vond hij in het bemeesteren van piengos zijn gelijken niet.
Het lukte hem altijd vijf of zes van deze dieren te doden, terwijl de jaguar, die steeds piengo-troepen achtervolgt, er nooit meer dan een of twee in een keer te pakken kan krijgen.
De jaguar kon niet nalaten van het benijdenswaardige succes goede nota te nemen, en bij de eerste de beste gelegenheid dat onze vriend in het bos verscheen, veranderde hij zich in een vrouw.
Deze vroeg toen aan de gelukkige jager hoe het hem lukte om zoveel bosvarkens te schieten; maar alles wat hij vertellen kon was, dat hij er zich van jongs af aan in geoefend had.
Ze antwoordde dat ze graag zijn vrouw zou willen zijn; maar hij, wetende waar ze vandaan gekomen was, was niet erg begerig een beslist antwoord te geven.
Zij, van haar kant, hield aan en beduidde hem, dat als ze samen leefden en samen op jacht gingen, ze altijd meer dieren zouden bemachtigen dan wanneer ze er alleen op uit gingen.
Eindelijk stemde hij toe.
Lang, heel lang leefden zij gelukkig; want ze was een goede huisvrouw en behalve dat ze uitstekend kon koken en barbakotten, bleek ze ook goed te kunnen jagen.
Eens op een dag vroeg ze aan haar man, of hij geen vader of moeder meer had; en toen ze hoorde, dat beiden nog in leven waren, gaf ze hem haar wens te kennen dat hij ze een bezoek zou brengen.
"Want," zei ze, "als je zo lang wegblijft, zullen ze denken dat je dood bent."
En toen de man antwoordde: "Goed, ik wil graag gaan," vroeg ze of ze hem mocht vergezellen en hem de weg mocht wijzen.
Hij moest echter beloven, dat hij niemand zou vertellen wie ze was.
Voor ze vertrokken drong ze er op aan, eerst nog voor een paar dagen op jacht te mogen gaan, om een voorraad varkensvlees te kunnen meenemen.
Dat deden ze, en toen ze aan de hut van zijn ouders kwamen, werden ze met vreugde ontvangen.
De eerste vraag, die de oude vrouw aan haar zoon deed, was natuurlijk: "Waar heb je die mooie vrouw vandaan gehaald?"
"Ik heb haar in het bos gevonden toen ik op jacht was," antwoordde hij.
Tijdens het verblijf van het paar in de ouderlijke hut ging het paar iedere dag op jacht, en steeds keerde het met zoveel dode varkens terug, dat verwanten en vrienden achterdochtig werden, en zich begonnen af te vragen van welke afkomst de mooie vrouw toch wel zou zijn.
Telkens probeerden ze dit te weten te komen, maar de man verraadde het geheim niet.
Zijn moeder echter, die niet ophield met vragen, werd op het laatst zo ongerust, dat hij ten slotte alles eerlijk opbiechtte, waarbij hij haar uitdrukkelijk op het hart drukte dat ze aan niemand iets mocht vertellen, want als ze het toch deed zou zijn vrouw hem onmiddellijk verlaten.
Van dit ogenblik af begonnen echter de onaangenaamheden.
Eens op een dag maakte het volk een goede voorraad kassiri, met de bedoeling de oude vrouw dronken te maken, en toen ze in de loop van de avond al aardig beneveld was, vroegen de mensen: "Wie is toch de vrouw van je zoon?"
Maar ze hield haar mond.
Het volk ging echter voort haar drank te voeren, totdat ze ten slotte niet meer wetende wat ze zei, het geheim verklapte en zei: "Mijn mooie schoondochter is eigenlijk een jaguar."
Maar nauwelijks had de jonge vrouw de woorden van haar schoonmoeder gehoord, of ze werd zo beschaamd dat ze brommend het bos in vluchtte.
Het was de laatste keer dat men haar gezien heeft.
De zoon verweet zijn moeder haar woordbreuk, maar deze verontschuldigde zich door te zeggen: "Ik kon het heus niet helpen; men heeft mij immers dronken gemaakt."
Van dat ogenblik kwam de arme man nooit meer in het bos zonder eerst om zijn vrouw te roepen. Maar nooit kreeg hij antwoord.

De geest van een schimmelplant redt een Indiaans meisje.
Een sprookje van de Surinaamse indianen over een bosgeest.
Twee meisjes bleven omdat ze dat zelf wilden alleen in een hut achter, terwijl de ouders een drinkgelag bijwoonden.
De ouders hadden er bij de dochters op aangedrongen dat ze mee zouden gaan, maar deze hadden er geen zin in.
Tegen zonsondergang daalde nu een Joroka van een nabij staande kankantrie: hij had pijl en boog, waarmee hij een papegaai schoot.
Hij bracht de vogel aan de beide meisjes en vroeg hun om het dier te koken.
Omdat ze niet wisten, dat de bezoeker een bosgeest was voldeden ze maar al te gretig aan zijn verzoek.
Toen ze gezamenlijk de vogel hadden verorberd, verdween hij met een zwaai in de hangmat, die hij had opgehangen. Joroka vroeg het jongste meisje om hem gezelschap te komen houden, maar die voelde er niets voor en ze zond haar oudere zuster in haar plaats.
Na een tijdje hoorde de jongste een vreemd geluid en daarbij huilen, dat uit de hangmat van de bezoeker kwam.
Het geluid werd steeds erger, en nadat ze het vuur wat opgestookt had vermande ze zich.
Ze ging naar de hangmat toe, en daaruit zag ze tot haar grote schrik bloed druppelen.
Nog erger schrok ze, toen ze haar zuster dood in de hangmat zag liggen.
De bezoeker zelf was verdwenen, maar aan bepaalde kentekenen begreep ze, tot welke stam de bezoeker behoorde.
Om aan een dergelijk lot te ontkomen, haastte ze zich nu naar buiten en liep ze naar het maïsveld, dat haar eigendom was.
Het veld was door de schimmel geheel aangetast en verrot; in dit veld verborg ze zich.
Om zich nog beter te beveiligen, waarschuwde ze de geest van de schimmelplant; ze zei dat ze hem nooit meer koren zou geven, als Joroka haar hier mocht vinden en haar mocht pakken.
In de vroege ochtend verscheen Joroka en vroeg aan de Geest van de Schimmel of hij toevallig een meisje had gezien, maar deze gaf geen antwoord, omdat hij druk bezig was maïs te eten.
Joroka ging toen aan het zoeken, overal tussendoor kruipend, maar toen hij haar met het aanbreken van de dag nog niet had gevonden moest hij wel naar zijn verblijf in de kankantrie terugkeren.
Het arme meisje had de hele nacht tussen het maïs rondgekropen, en pas toen de zon hoog aan de hemel stond durfde ze eruit op te staan.
Ze zocht nu haastig het pad op, dat naar haar hut leidde en ontmoette er haar ouders, die net van het drinkgelag terugkeerden.
Zodra ze hen zag, begon ze te huilen en te schreeuwen.
"Wat is er aan de hand?" vroeg haar moeder.
"De Komaka-Joroka heeft mijn arme zuster gedood," antwoordde ze.
"Zie je nu wel," klaagde de moeder, "jullie hadden met ons mee moeten gaan, in plaats van alleen achter te blijven."
Zodra ze allemaal in de hut waren teruggekeerd, was het lichaam van de gedode zuster verdwenen.
Zo snel als ze konden deden ze alle pepers die ze bijeen konden rapen in manden om daarmee naar de kankantrie te gaan, die de dochter als het verblijf van Joroka had aangewezen.
Een groot vuur werd nu om de boom aangelegd, en daarin peper gestrooid.
Er moest wel een grote Joroka-familie in die kankantrie wonen, want toen de prikkelende rook in de boom omhoog steeg, kwamen er veel kleine brulapen naar beneden, waarmee het vuur korte metten maakte.
Nog meer pepers werden nu in het vuur geworpen, en een heleboel veel grotere brulapen kwamen naar beneden en ondergingen hetzelfde lot.
De ouders wierpen nu de rest van de pepers in het vuur en daar kwam Joroka zelf, die de oudste dochter had gedood, naar beneden.
Terwijl de vader hem toeriep: "Ik dood je, om mij te wreken op de dood van mijn dochter," brachten ze hem met hun allen om.
Het lichaam van Joroka werd nu geopend, en ze vonden er vrouwenvlees in.
Van die tijd af heeft de jongste dochter altijd haar ouders gehoorzaamd.

Hoe het ongeluk over de mensen kwam.
Een scheppingsverhaal van de Caraïb indianen.
Heel, heel lang geleden, voor nog de grootvaders van onze grootmoeders geboren waren, was zoals de Caraïben vertellen, de wereld geheel anders dan nu.
De bomen droegen altijd vruchten; de dieren leefden in volkomen eensgezindheid en de kleine agoeti speelde zonder bang te zijn met de baard van de jaguar.
Er leefden toen nog geen giftige slangen, de rivieren stroomden gelijkmatig, er was geen buitengewone droogte, noch had men last van overstromingen, en de watervallen gleden langzaam van de hoogste rotsen.
Er waren toen nog geen mensen op de wereld, en Adaheli, die wij nu als God aanroepen maar die toen Zon heette, werd verontrust.
Hij daalde uit de hemel neer en kort daarna werd de mens geboren.
Uit een kaaiman zagen beide seksen, een man en een vrouw, het levenslicht.
De vrouwen waren van een verrukkelijke schoonheid, maar vele mannen hadden een terugstotend uiterlijk, en daarom raakten ze verspreid.
Omdat de mannen met een mooi gezicht niet in staat waren om bij hun afzichtelijke kameraden te blijven, scheidden ze zich van hen af.
Ze trokken naar het westen, terwijl de afzichtelijke mannen naar het oosten gingen, waarbij ieder de vrouwen die hij gekozen had met zich meenam.
Tot de stam van de in elk opzicht aantrekkelijke Indianen behoorde een jonge man, Maconaura geheten, die met zijn moeder samenwoonde.
De jongen was in één woord bekoorlijk als men dit tenminste van een man kan zeggen.
Hij droeg zijn kamiesa op elegante wijze, en vond zijn gelijke niet op de jacht en de visvangst.
Ook in het vlechten was hij een meester, zodat alle mannen hun viskorven voor de laatste afwerking bij hem brachten.
De oude moeder was niet minder bekwaam in het maken van hangmatten en het gereed maken van de taptana.
Ze leefden in volkomen eensgezindheid, zowel onder elkaar als met de leden van hun stam.
Ze hadden geen last van overmatige warmte, noch van kille vochtigheid; ze hadden niet van boze dieren te lijden, want deze kwamen in de streek niet voor.
Eens op een dag echter vond Maconaura zijn viskorf gescheurd en de vissen verslonden, iets wat tot nu toe in de geschiedenis van de stam niet was voorgekomen.
Maconaura zette daarom, toen hij zijn korf weer uitzette, een specht op de uitkijk.
Hij verzocht hem met zijn bek tegen een boomstam te kloppen als iemand, mens of dier, zou naderen.
Maar hoewel hij op het 'toe! toe!' van de vogel dadelijk kwam aangerend, kwam hij te laat - weer waren de vissen verslonden en was de korf gescheurd.
Met de bananebek als waarschuwer ging het beter, want toen de vogel zijn 'pon! pon!' liet horen, kwam hij nog net op tijd om zijn pijl tussen de lelijke ogen van de kaaiman te schieten, die met een 'gloe! gloe!' onderwater verdween.
Maconaura herstelde zijn viskorf en vertrok.
Maar nauwelijks was hij in zijn hut teruggekomen of hij hoorde weer het signaal 'pon! pon!' van de vogel, en toen hij bij de rivier kwam, zag hij daar een beeldschone huilende Indiaanse.
"Wie ben je?" vroeg hij.
"Anoeannaïtoe," antwoordde zij.
"Waar kom je vandaan?"
"Van ver, heel ver."
"Bij welke stam hoor je?"
"O, vraag mij dat niet," zei ze, en ze bedekte haar gezicht met haar handen.
Het meisje, haast nog een kind, nam haar intrek bij Maconaura en zijn moeder.
Naarmate ze groter werd, nam haar schoonheid en bevalligheid zo toe, dat Maconaura haar eindelijk zijn liefde bekende en haar tot zijn vrouw vroeg.
Hoewel ze eerst met tranen in de ogen weigerde, stemde ze ten slotte toe, hoewel het samenleven niet correct was, omdat Maconaura nog geen toestemming aan haar ouders had gevraagd.
Nog altijd had ze niet verteld wie dat waren.
Gedurende korte tijd leefde het paar zeer gelukkig, totdat Anoeannaïtoe door een vurig verlangen werd aangegrepen om haar moeder te bezoeken.
Maar toen Maconaura zei dat hij met haar mee wilde gaan, dreigde ze in woede de tocht te zullen opgeven.
"Dan zal ik alleen gaan en je ouders toestemming voor ons huwelijk vragen," drong Maconaura aan.
"Dat nooit," riep Anoeannaïtoe, "dat zou onze dood zijn, evenals die van je lieve moeder."
Maconaura was echter niet te overtuigen, "want," zei hij, "ik heb een piaaiman geraadpleegd, die mij verzekerd heeft dat ik veilig zal terugkeren."
Dus vertrok hij met zijn bruid.
Toen ze na verscheidene weken reizen met hun korjaal bij een kamp kwamen, riep Anoeannaïtoe: "Wij zijn er, ik ga mijn moeder opzoeken, zij zal je een kalebas brengen, gevuld met bloed en rauw vlees, en een andere kalebas met beltiri en cassavebrood. Ons lot hangt van jouw keus af."
De jongeman koos, toen de oude vrouw verscheen, zonder aarzelen de beltiri en het brood, waarop ze zei: "Je hebt een goede keus gedaan.
Ik geef de toestemming tot het huwelijk, maar ik vrees dat mijn man zich er sterk tegen zal verzetten."
Kaikoutji was de naam van haar echtgenoot.
Moeder en dochter gingen nu vooruit, om de man te polsen, maar zijn woede was zo groot, dat het nodig leek om de jongen in het bos te verbergen, totdat Kaikoutji eindelijk zo zacht gestemd werd, dat hij erin toestemde de jongeman te zien.
Maar toen de jongen voor hem stond kwam zijn woede weer onverminderd boven en hij riep: "Hoe durf je mij te naderen?"
Maconaura, die hem tot bedaren wilde brengen, antwoordde: "Ja, het is waar, het huwelijk met uw dochter was niet volgens de gebruiken, maar ik kom herstel vragen.
Ik zal voor u maken wat u verlangt."
"Maak dan een halla met de kop van een kaaiman aan de ene zijde en mijn beeltenis aan de andere," zei Kaikoutji.
Te middernacht was Maconaura klaar met zijn werk, op het portret na, maar dit was niet gemakkelijk omdat de man zijn hoofd door een kalebas bedekt had, waaruit alleen zijn ogen zichtbaar waren.
Toen Maconaura zijn vrouw vroeg om haar vader te beschrijven, antwoordde ze: "Onmogelijk. Mijn vader is een piaaiman.
Hij kent en weet alles.
Hij zou ons allebei doden."
Maconaura verborg zich nu naast de hangmat van de vader, in de hoop dat hij nu en dan wat van zijn gezicht zou zien.
Toen kwam er een makoe die om de oren van Kaikoutji gonsde en hem stak; maar de man, die als een bal in zijn hangmat lag opgerold, bewoog zich niet.
Maconaura vreesde al dat hij het zou moeten opgeven, toen hij iets over zijn been voelde kruipen.
Het was een hajara, die tot hem sprak: "Vrees niet, heb geduld."
De spin kroop nu tegen de hangmat van Kaikoutji op en beet hem.
Maar de slapende man sloeg de spin dood, en nog liet hij zijn gezicht niet zien.
Maconaura werd wanhopig, maar eindelijk kwam er hulp opdagen; het was een heel leger van mieren, die hem kwamen aanvallen, en hem zo toetakelden, dat hij, terwijl hij in de consternatie uit zijn hangmat oprees, zijn hele gezicht liet zien, zo afschuwelijk als het was.
Toen de morgen aanbrak had Maconaura zijn halla gereed en hij bracht zijn werkstuk naar de vader, waarna Maconaura werd ontvangen als de erkende echtgenoot van Anoeannaï-toe.
Na verloop van tijd verlangde Maconaura zijn moeder weer te zien, en toen Kaikoutji aan Anoeannaïtoe weigerde om haar man te vergezellen, vertrok hij alleen.
Gelukkige dagen volgden nu voor hem in zijn oude hut.
Hij vertelde zijn avonturen, en zijn oude moeder haalde verhalen van heel lang geleden op, hoewel haar zwak geheugen slecht was.
Toen nu Maconaura na enige tijd weer naar zijn vrouw wilde vertrekken, smeekte zijn moeder hem om bij haar te blijven, omdat de piaaiman hem voor gevaren had gewaarschuwd.
Maar Maconaura was vast besloten om nog eenmaal te vertrekken en hij beloofde zijn moeder dat hij iedere dag een vogel zou sturen, die haar van zijn toestand op de hoogte zou houden.
Als er een uil kwam zou dat betekenen, dat hij verloren was.
Toen Maconaura eindelijk in Anoeannaïtoes hut was aangekomen, ontving zij hem in tegenwoordigheid van zijn schoonmoeder.
In tranen riep ze uit: "Weg, gauw! Kaikoutji is woedend over wat hij heeft gehoord!"
Maconaura stoorde zich echter niet aan de waarschuwingen en o, onvoorzichtige, toen hij Kaikoutji's hut binnenkwam, werd hij zonder slag of stoot door een pijl tussen zijn ogen getroffen.
Maconaura's moeder had dagelijks het droevige 'bouta! bouta! bouta!' van de otolin gehoord, toen het eens op een dag door het afschuwelijke, onheilspellende 'popopo!' van de uil werd gevolgd.
Nu ze wist dat haar zoon dood was, liet ze zich door de verkondiger van het slechte nieuws naar de plaats des onheils brengen; en toen ze zijn korjaal met zijn lijk eindelijk had gevonden, keerde ze er diep bedroefd mee terug naar haar volk.
De mannen bedekten het lichaam met een lijkkleed van prachtige veren, en ze legden er de wapens en gereedschappen van Maconaura op; de vrouwen bereidden de taptana voor de begrafenis viering en allen verenigden zich om de dodenzang te laten horen, het laatste vaarwel van de moeder aan haar geliefde zoon.
Met alle kracht die ze nog had, richtte de oude vrouw zich in haar hangmat op en nadat ze met vuur het tragische verhaal van de liefde en de dood van haar jongen had gedaan, riep ze, terwijl ze haar schaal met taptana aan de lippen bracht: "Wie heeft het licht van mijn zoon gedoofd?
Wie heeft hem naar het dal der schimmen gezonden?
Woe! Woe! voor hem.
Alas - jullie aanschouwt in mij, o vrienden en broeders, niet meer dan een arme zwakke oude vrouw.
Wie van jullie wil hem wreken?"
Onverwijld sprongen toen twee mannen naar voren, grepen hun schaal, dronken hem leeg en hieven, naast het lichaam van de vermoorde, het Kenaima-lied aan.
Daarbij dansten ze de dans der wraken.
Op hetzelfde ogenblik sloop in een van hen de geest van een boa, in de ander die van een jaguar binnen.
Het grote taptana-feest werd in het dorp van Kaikoutji gevierd, waar honderden Indianen vergaderd waren, mannen, vrouwen en kinderen.
Ze dronken en braakten, dronken en braakten weer.
Plotseling verschenen onder de feestvierenden twee mannen, een in het vel van de jaguar, de ander in de gevlekte schubbenhuid van een boa-constrictor, en in een ogenblik waren Kaikoutji en allen die om hem heen waren gedood: een deel vermorzeld door de slagen van de jaguar, de rest gekraakt door de omstrengelingen van de boa.
De angst had enkelen weer bijgebracht; ze grepen hun bogen en richtten hun pijlen op de woedende aanvallers. De beide Kenaima's staakten daarop de aanval. Een van hen sprak: "Houd op, vrienden, wij zijn in jullie handen, maar laat ons eerst spreken."
Toen de tegenstanders hun pijlen hadden laten zakken, vertelde hij de geschiedenis van Maconaura.
Het droevige verhaal maakte blijkbaar indruk, want toen hij was uitgesproken, trad een piaaiman naar voren en sprak: "Jonge mannen, jullie hebben goed gesproken; wij ontvangen jullie als vrienden."
Het feest werd nu nog vrolijker dan tevoren voortgezet.
Anoeannaïtoe, die tot haar grote smart het feest niet had bijgewoond, kwam nu te voorschijn, en schreed voort langs de dode lichamen.
Een voor een onderzocht ze de lijken, en toen ze eindelijk het lichaam dat ze zocht, dat van haar moeder, herkend had, ging ze er naast zitten en hief lang achtereen de lofzang op de dood aan.
Daarna sprong ze plotseling op, en met overeind staande haren en met een woeste blik liet ze met trillende stem het verschrikkelijk kenaima-lied weerklinken, en ze danste, danste net zo lang, totdat de geest van een ratelslang haar lichaam binnendrong.
Tegelijkertijd vierde het volk van het andere dorp ook het tapana-feest, om de wraak te vieren, terwijl Maconaura's moeder, beneveld door de drank, in haar hangmat van haar verloren zoon lag te dromen.
Het feest was in volle gang, toen plotseling Anoeannaïtoe verscheen. Maar ze trad enige stappen terug, toen ze haar naam hoorde uitspreken door de dromende vrouw: "Anoeannaïtoe!
Mijn kind, jij bent goed, evenals je moeder!
Maar waarom kom je hier? Mijn zoon, die je verloren hebt, is niet meer.
O! Mijn zoon Maconaura, verheug je!
Jij bent nu gelukkig, want je bent nu gewroken door het bloed van je moordenaar.
Ja, je bent goed gewroken!"
Toen ze deze woorden hoorde voelde Anoeannaïtoe een verschrikkelijke tweestrijd in haar ziel - de begeerte naar de liefde en de eis van de plicht.
Maar bij de woorden: "gewroken met het bloed,"
kon ze zich niet langer inhouden en terwijl ze zich op de vrouw wierp, trok ze haar tong uit de mond en schoot er het dodend gif overheen.
Ze boog zich over het zieltogend lichaam heen, en sprak: "De kaaiman, die uw zoon bij zijn viskorf heeft gedood, was mijn broer.
Net als mijn vader had hij het hoofd van een kaaiman.
Ik zou het willen vergeven.
Mijn vader wreekte de dood van zijn zoon door uw zoon met hetzelfde lot te bestraffen - met een pijl tussen zijn ogen.
Uw verwanten hebben mijn vader en velen van zijn stam verslagen.
Ja, ik zou dit alles misschien nog willen vergeven, als ze mijn lieve moeder maar gespaard hadden.
Maco-naura is de oorzaak, dat wat mij het dierbaarst was is weggenomen.
Ik neem nu op mijn beurt weg, wat hem het dierbaarst was."
Onder het slaken van een verschrikkelijke kreet vluchtte ze naar het bos en onmiddellijk daarna vond in de natuur plaats, wat tot nu toe zo onbekend was geweest: de wonden antwoordden met een orkaan, die de bomen neer velde en de zwaarste stammen ontwortelde.
Dikke wolken bedekten het gelaat van Adaheli, terwijl onheilspellende bliksemstralen en het rommelen van de donder de donkere wereld deden sidderen.
Ontzettende regenstromen deden de rivieren buiten hun oevers treden.
De dieren, die tot nu toe vreedzaam samen geleefd hadden, begonnen elkaar aan te vallen, en elkaar te verslinden.
De slang trof met zijn vergif; de kaaiman verbrijzelde met zijn vreselijke kaken al wat van levende wezens onder zijn bereik kwam; de jaguar scheurde het vlees uit het lichaam van de onschuldige agoeti.
Anoeannaïtoe, gevolgd door een heel leger van wilde beesten, zette haar zinloze tocht voort, totdat zij op de top van een enorme rots aankwam, waarvan een waterval met donderend geweld naar omlaag stortte.
Hier staakte ze haar loop; aan de rand van de afgrond strekte ze haar armen uit, en toen, zich voorover buigend, plofte ze in de diepte neer.
De wateren namen haar beneden op en sloten zich boven haar. Niets was er meer van haar te zien dan een verschrikkelijke draaikolk.
Wanneer nu een vreemdeling langs de waterval komt, zal de Caraïb hem waarschuwen, niet diens naam te noemen.
Het zou zijn onfeilbare dood zijn; want op de bodem van deze wateren wonen Maconaura en Anoeannaïtoe nu gelukkig in het schitterende paleis van de Geest van het Water.

De ontvoering van Maiwie.
Een sprookje van de Surinaamse indianen.
Het was in de tijd, dat de indianen in vrede leefden met elkaar.
In het dorp hielpen ze elkaar hun kampen te bouwen, als ook gezamenlijk de kostgronden aanleggen.
Ook de korjaal werd samen gemaakt.
Dus in één woord gezegd, de indianen hielpen elkaar graag.
Saamhorigheid en liefdegevoel voor de medemens waren in ruime mate aanwezig.
In die grijze oude tijd lag er een dorp aan de Boven-Coppename.
De naam weten we niet meer, maar het lag aan de linkeroever van de rivier.
De aanlegplaats was aan een zandbank.
In de verte gezien leek het zand op een donkerrode uitgespreide doek.
Wanneer het eb was, lagen al de korjalen, sakaw koe-po, dat wil zeggen op het zand.
Was het eb of vloed, dat deed er niets toe, toch zwommen de Indiaanse kinderen in de rivier.
Wat konden ze snel zwemmen.
"Kom aan deze kant!" schreeuwde een van de indiaanse meisjes tegen haar vrienden.
Tegelijkertijd zwom ze rechtdoor naar een aanlegpaal.
Nu eens zwommen de kinderen gelijk dolfijnen, dan weer als otters en weer anderen bootsten een hert na.
Wanneer deze kinderen pret maakten in het water, bleef één indiaans meisje achter in het dorp.
Zij mocht niet mee zwemmen.
Ze zat alleen in een hutje, dat naast haar ouderlijk kamp was gebouwd.
Het was haar ten strengste verboden om naar het water toe te gaan.
Dit Indiaanse meisje, dat Maiwie heette, was zeer vlijtig.
Ze was nauwelijks dertien jaar oud of ze hielp haar moeder flink mee in de huishouding.
Op een keer was ze alleen thuis, haar ouders waren op de visvangst gegaan.
Het meisje was druk bezig met haar huishoudelijke werkzaamheden.
Een indiaanse jongeman met op zijn hoofd zijn vederhoed, liep langzaam en statig regelrecht naar Maiwie.
Haar hartje klopte haar in haar keel.
"Maak je het goed, Maiwie?" sprak de vreemdeling tot het meisje.
Ze wilde wegrennen, maar het leek alsof ze aan de grond genageld was.
Maiwie kon geen woord uitbrengen en haar hartje rikketikte nog wilder in haar jonge borst.
De jongeman sprak met een zware diepe stem: "Maiwie, zou je dit halssnoer graag willen hebben?" en hij toonde haar een zeer mooi gekleurd Indiaans halssnoer.
"Ie-sjepawa, ik wil het niet hebben," antwoordde het meisje met een beverige stem.
De Indiaanse jongeman zei verder geen woord meer, maakte rechtsomkeert en ging weg; hij ging naar het water, nagekeken door de kleine Maiwie.
Toen de ouders van het meisje weer thuis waren gekomen, vertelde ze niets van wat er gebeurd was.
Maar haar moeder merkte op, dat haar dochter af en toe bezig was met haar eigen gedachten.
In de laatste weken was Maiwie niet meer de zingende vrolijke dochter van haar ouders.
Ze leek bedroefd te zijn en het was alsof ze aan iets heel in de verte dacht.
Intussen kreeg het indiaanse meisje regelmatig bezoek van de jongeman.
Geen enkele andere Caraïb in het dorp wist iets af van wat er gebeurde met Maiwie.
Vele malen kwam de vreemde Indiaan onopgemerkt bij Maiwie.
Hij nodigde haar dikwijls uit om met hem naar de waterkant te gaan.
Maar dat durfde die Indiaanse schone niet te doen. Eindelijk gelukte het hem om het meisje naar de aanlegplaats te lokken.
Daar aangekomen hield hij haar bij haar arm vast en sprak: "Daar onder water wonen mijn ouders," en hij wees weer naar het water.
Maiwie keek de fors gebouwde man met verbaasde ogen aan en met open mond.
Toen antwoordde ze: "Ik geloof je niet, er wonen toch geen indianen onder water, is het niet?"
Bij deze woorden pakte de zoon van de Watergeest Okko Joemo - want een van zijn zonen was deze jongeman - het meisje stevig vast, tilde haar op en rende met haar het water in.
Het meisje schreeuwde en spartelde in zijn armen, maar helaas was het al te laat voor Maiwie.
Verdwenen was ze onder water, voorgoed gescheiden van haar ouders en dorpelingen.
Overal zochten haar ouders naar het meisje maar nergens was ze te vinden.
De moeder van Maiwie was niet te troosten en iedereen had medelijden met haar.
Het was trouwens haar enige dochter.
Dezelfde nacht droomde ze over haar dochter.
Ze droomde dat Maiwie haar vertelde, dat ze niet bedroefd hoefde te zijn, omdat de plaats waar ze nu woonde heel mooi was.
Ze had alles naar haar zin.
Verder vertelde ze aan moeder in de droom, dat ze met de zoon van Okko Joemo, de watergeest was getrouwd.
De moeder werd wakker en toen verhaalde ze aan haar man wat ze over Maiwie gedroomd had.
Vanaf die dag zagen de ouders en andere Indianen Maiwie op gezette tijden van het jaar opduiken en zitten op een zandbank.
Wanneer de ouders hun dochter zagen, wilden ze haar gaan pakken, maar dat ging niet meer. Zodra ze haar naderden, sprong het meisje weer in het water.
Altijd was ze gekleed in een rood gespikkelde, schuin gedragen jurk.
Altijd weer zagen de indianen de ontvoerde Maiwie opduiken of zitten op een of andere zandbank. Maar in deze wereld kon ze niet meer terugkeren, omdat ze getrouwd was met een watergeest.
Tot op de dag van vandaag kunnen bepaalde indianen jullie de plaats aanwijzen waar Maiwie ontvoerd werd.
Op die plek heeft de rivier een grote bocht.

Het paard met de zeven kleuren.
Een sprookje van de Mexicaanse indianen.
Er waren eens een man en een vrouw en die hadden drie zoons.
Ze bezaten een mooi tarweveld.
Elke nacht kwam er echter een paard en dat richtte veel schade aan op het veld.
De man werd kwaad tot een van zijn drie zoons zei: "Koop een touw voor me, vader.
Ik zal me om de tarwe bekommeren.
Ik zal ervoor zorgen dat het paard niets van de tarwe eet."
"Hoe wil jij dat nou voor elkaar krijgen, lui als je altijd bent?"
"Het lukt me. Breng me dat touw nou maar."
Nu, de man liet zich overtuigen en bracht voor zijn zoon een touw mee.
De volgende morgen ging de man naar buiten.
De jongen sliep nog vast. Opnieuw richtte het paard in het veld grote schade aan.
Het at van de tarwe.
Het vertrapte aren.
De man was verbolgen en dacht bij zichzelf: "Het zal mij benieuwen hoe het morgenvroeg zal zijn."
De volgende ochtend sliep de jongen weer.
De vader werd boos.
Hij wekte hem en joeg hem het huis uit.
Hij riep hem na dat hij zich thuis niet meer hoefde te laten zien.
De volgende dag zei de tweede zoon: "Nu zal ik het veld bewaken, vader. Van mij kun je beter op aan."
"Wees toch stil. Wat je grote broer niet is gelukt, hoe moet jou dat nou lukken?"
"Wacht maar af. Ik vang dat paard."
Dus ging de jongen naar het veld, verstopte zich en wachtte op het paard.
Maar hij viel in slaap en het paard verwoestte het veld opnieuw.
Toen joeg de boer ook deze zoon het huis uit.
Die ging op zoek naar zijn broer en na een paar dagen vond hij hem.
"Wat is er gebeurd? Heeft vader je weggejaagd?"
"Ja," zei hij, "ik ben in mijn schuilplaats in slaap gevallen.
Ik heb helemaal niet gemerkt dat het paard kwam en het veld weer verwoestte.
Het is vreemd, het lijkt wel tovenarij."
Nu was er nog een derde zoon - Juan del Dedo, Klein Duimpje - zo heette hij.
Hij zei tegen zijn vader: "Koop alsjeblieft een schommelstoel, een boekje met naalden en een gitaar."
Juan gold als de slimste van de drie zoons.
Hij was altijd vriendelijk tegen zijn vader en moeder.
Daarom werd de vader niet boos over deze vragen en bezorgde hem de dingen waarom hij had gevraagd.
Hij stak de schommelstoel vol naalden, met de punten naar buiten.
Zijn vader had ook een gitaar voor hem gekocht en een touw.
Oh nee, dat touw was er al!
De jongen begon op de gitaar te spelen. Alleen om de tijd te doden.
Hij zat in de schommelstoel.
Als hij zich bewoog, werd hij gestoken.
En als hij zich in een andere richting bewoog, werd hij opnieuw gestoken.
Met dit systeem bleef hij wakker.
Na een poos kwam het paard.
Nee, het stampte niet door het veld.
Het kwam naderbij en sprak: "Zo, hoe gaat het er vandaag mee, Juan?"
"Ach, ben jij het, nietsnut van een paard.
Door jou heeft mijn vader mijn twee broers uit het huis gejaagd.
Nu ga ik je vangen."
"Afgesproken, Juan. Ik zal me laten vangen, maar alsjeblieft, doe me geen pijn.
Dan zal ik je voor de tarwe die ik opgegeten heb, veel geld geven.
Morgenvroeg, als je naar huis gaat, kun je een semita (een soort brood) voor je vader en moeder meenemen. Afgesproken?"
"Ja," antwoordde hij, "afgesproken."
Het paard gaf hem een kleine buidel met geld en de tarwe begon uit te lopen.
De aren veranderden in brood.
Dat nam Juan voor zijn ouders mee.
Dus werd hij door zijn vader en moeder geprezen. Hij zei echter dat hij zou vertrekken.
Het paard vroeg hem; "Wat ben je van plan?"
"Ik ga op zoek naar mijn broers."
"Van je broers heb je niet veel goeds te verwachten.
Als je ooit iets nodig hebt, kun je me roepen.
Ik zal je uit alle moeilijkheden redden, waarin je door je broers terechtkomt."
Tijd verging.
Het duurde bijna een maand voor hij zijn beide broers vond.
Maar eerst, moet men weten, had het paard hem nog wat geld, een toverdoek en een toverstaf geschonken.
De oudste broer zei tegen de tweede: "Kijk daar eens, daar komt Klein Duimpje.
Ik wed dat de ouwe hem er ook uitgesmeten heeft.
Als hij hier is, zal ik hem naar de bron sturen om water te halen.
Ik ben dorstig."
De tweede broer zei: "Hombre, hoe kun je hem in de bron laten afdalen.
Hij zal er zijn nek breken."
"Maakt niet uit."
In die dagen droeg men lappen stof om de heupen.
"We kunnen van onze kleren een lus maken."
"En waarin moet hij water scheppen?"
"Hij kan zijn hoed gebruiken," zei de oudste.
Toen Klein Duimpje naderbij kwam, zeiden ze: "Nou, wat heb jij beleefd? Hebben ze jou ook weggejaagd?"
"Ja," zei Juan. Hij vertelde hun niet alles. "Ze hebben me weggejaagd."
"Wij hebben dorst.
Daal in de bron af en haal ons wat water."
"Dat kan ik niet.
Hoe moet ik daar beneden komen?"
"We zullen een touw draaien uit de doeken die we om onze heupen dragen."
Dus maakten ze een dergelijk touw en lieten hem zakken.
Hij schepte water voor hen.
Nadat zij gedronken hadden, was hij nog altijd beneden.
Ze hakten het touw door.
Maar het paard was in de buurt.
"Ik weet het niet," zei Klein Duimpje tegen zichzelf, "zal ik nu het paard roepen of toch niet."
Hij dacht een poosje.
Ten slotte mompelde hij voor zich uit: "Klein paard met de zeven kleuren, als ik je zou kunnen zien, zou ik je roepen."
Het paard kwam meteen.
"Wat is er nou met jou gebeurd?" vroeg het.
"Nou, je ziet het. Het touw knapte toen ik hier onderin water aan het scheppen was."
"Dis me geen leugens op," zei het paard. "Het waren je broers die het touw doorgesneden hebben.
Heb ik het je niet gezegd: van hen heb je niets goeds te verwachten.
Maar ik zal je helpen," vervolgde het paard en hij liet zijn staart over de rand bungelen.
"Houd je daaraan vast en sluit je ogen."
Dus hield hij zich vast en en hij kwam eruit.
Toen zei het paard: "Waar wil je nu naartoe?"
"Mijn broers achterna."
"Wat ben je toch koppig.
Ik zeg je, ze zullen je naar verafgelegen huizen sturen waar je iets te eten voor ze moet halen.
Ten slotte zullen ze een vuur aansteken en jou erin werpen.
Ik moet je dan weer komen redden."
De beide ouderen keken gedurende vele dagen steeds achterom.
En op een keer zei de ene tegen de andere; "Nou, kijk eens wie daar aankomt.
Ik geloof dat die kleine zo dom nog niet is."
"God weet het," zei de andere, "het moet hem gelukt zijn uit de bron omhoog te klimmen.
De arme domoor.
Hij wil met ons meereizen en jij hebt niets dan kwaad met hem voor."
"Ja, inderdaad," zei de oudste, "ik heb een paar huizen gezien. Heel ver van hier, in een donker bos.
Zo gauw hij hier is, zal ik hem vragen naar die huizen te lopen en ons wat te eten te halen!"
"Zo ver weg!"
"Wil jij misschien gaan?" zei de oudste.
Toen zei de tweede niets meer.
Juan kwam nader en nader en toen hij aangekomen was, zei zijn broer: "Zie je die huizen daarginds, kleine?
Daar ga je nu heen en je brengt ons wat te eten."
Juan liep een stuk.
Hij kwam in een bos.
Hij bleef daar een poos.
Hij bleef er zo lang dat er genoeg tijd verstreken was om de anderen te doen geloven dat hij heen- en teruggelopen was. Toen haalde hij zijn toverstaf te voorschijn en sprak: "Toverstaf: bij de macht die jij hebt en bij de kracht, die God je gegeven heeft, bezorg me een overvloedige maaltijd."
Meteen was daar rijst, bonen, koffie en torilla's.
Alles wat men zich had kunnen wensen.
Maar hij bleef nog wat langer in het bos en werkte, tot hij begon te zweten, zodat zij zouden denken dat hij de hele weg had gerend.
Hij vertelde hun niets van de doek en de toverstaf.
Het was de doek die de magische krachten bezat. De staf was voor iets anders bedoeld.
Hij kwam terug, helemaal bezweet en hijgend. "Kijk," zei hij, "wat ik jullie breng."
"Arme Juan," zei de tweede broer, "zoals jij zweet."
"Wat maakt dat nou uit," zei de oudste, "dat hoort toch zo als je de jongste bent."
Ze zetten zich alle drie neer en aten.
Toen ze klaar waren, ruimden ze alles op.
Vervolgens sprak de oudste tegen Juan: "Zo, sta op en ga hout verzamelen."
"Waar heb je hout voor nodig?"
"Doe wat ik je opgedragen heb."
Toen het hout op de grond lag, werd er een vuur aangestoken.
Toen het goed brandde, namen de beide ouderen de kleine en wierpen hem in de vlammen.
"Daarvoor hadden we het hout nodig!" riep de oudste honend en hij en zijn broer liepen weg.
Meteen was het paard ter plekke.
Juan had niet eens hoeven roepen.
Het kwam en haalde hem uit de vlammen.
"Heb ik je niet gezegd datje broers je niet goed gezind zijn.
Wat ga je nu doen?"
"Ik ga ze achterna."
"Waarom ben je zo eigenwijs?
Bedenk toch wat je allemaal al met hen hebt doorgemaakt."
"Men moet de hoop nooit opgeven dat mensen zich kunnen beteren."
Het paard schudde alleen nog maar het hoofd.
Na veel dagen haalde Juan zijn beide broers nogmaals in.
De oudste zei: "Je houdt het niet voor mogelijk.
Die kleine is nog steeds in leven.
Ik zeg je, daar zit een luchtje aan."
"Ach wat," zei de tweede broer.
De kleine stelde hen voor, naar het paleis van de koning te gaan en zich daar in de buurt in te kwartieren.
De beide anderen waren het daarmee eens en gedrieën trokken ze verder.
Ze kwamen bij het huis van een oude vrouw.
"Hoe gaat het, grootmoeder?"
"Ach kinderen, waar komen jullie vandaan?"
"Van ver. Kunnen wij hier een poosje blijven?"
"Ja, natuurlijk," zei zij.
"En we geven je deze kleine cadeau."
Naar leeftijd was hij een jonge man, maar qua uiterlijk was hij maar net zo groot als een vinger.
"Hé," zei de oudste, "we geven je dit knaapje. Wil je hem hebben?"
"Ja natuurlijk. Hij kan bij mij water halen en hout dragen."
"Wat is er voor nieuws hier, grootmoeder? Kan men hier werk vinden?"
"De enige bij wie men werk kan vinden, is de koning.
En over nieuws gesproken: er is daar een platform, waarop een prinses zit.
Wie haar borst met een gouden appel kan raken, mag met haar trouwen."
"Maakt het niet uit, wie het is, grootmoeder?"
"Nee," zei ze, "het maakt niet uit wie hij is en waar hij vandaan komt."
Het werd donker en de beide oudsten gingen de deur uit.
"Jij blijft hier," zei de oudste broer tegen Juan del Dedo.
's Avonds tussen tien en elf kwamen de broers terug.
"Nou, wat hebben jullie meegemaakt?" vroeg de oude vrouw.
"We hebben het ons eens aangezien," zei de oudste. "Er zijn daar een heleboel mannen die glanzende appels naar de prinses werpen. Maar geraakt heeft haar nog geeneen. We hebben ook een mooi paard gezien."
De volgende dag moest de jongste water halen en hout dragen.
's Avonds gingen de beide oudere broers weer de stad in.
"Laat mij ook gaan," vroeg de kleine aan de oude vrouw, toen de broers weg waren.
"Je weet, wat ze gezegd hebben, kind. Ik mag je niet laten gaan. Wat gebeurt er als ze je zien?"
"Niemand zal me zien, grootmoeder. Ik meng me niet onder de mensen."
"Nou goed dan, ga maar. Maar kom op tijd terug, zodat je broers er niets van merken."
Juan ging. Hij zag zijn broers maar zij zagen hem niet.
Plotseling stond het paard voor Juan. "Nou wat denk je? Wil je de prinses tot vrouw?"
"Ja natuurlijk, maar hoe moet ik dat aanpakken?" zei hij.
Er stonden namelijk vier politiemensen rondom de prinses die degene die haar werkelijk zou raken, meteen konden aanhouden.
Het paard zei: "Geen angst. Jou zal niemand aanhouden en oppakken. Klim op mijn rug. Buig je over mijn hals en draai aan het kleine haakje naast mijn oor. Dan vliegen we over de menigte en de politiemannen heen."
"Goed," zei Juan.
Toen, voor hij terug naar huis ging, vroeg hij de doek om geschenken voor de oude vrouw... vruchten en zoetigheden. Alles wat men een vrouw zoal meebrengt. De oude vrouw was verbijsterd.
"Waar heb je dat vandaan?" vroeg ze, "wie heeft je dat gegeven?"
"Ach grootmoeder. Je had moeten zien met hoeveel mensen ik vriendschap gesloten heb. Ze hebben me allemaal iets gegeven. Meer dan ik kon eten. Toen zei ik: 'Goed, ik neem het mee naar huis en geef het aan mijn grootmoeder.'"
"Wat aardig van je, kind. Maar ga nu naar bed voor je broers thuiskomen."
Hij kroop in bed. De broers kwamen. Ze zeiden tegen de oude vrouw: "U gelooft niet wat voor een prachtig paard wij vandaag hebben gezien.
En stelt u zich voor, plotseling slingerde zich een jongen op de rug van dit paard met de zeven verschillende kleuren.
Hij had drie glanzende appels bij zich.
Hij trof de prinses driemaal. Noch de politie noch iemand anders kon verhinderen dat hij op het paard verdween."
Juan was weer opgestaan. Hij betrad de kamer.
"Misschien ben ik dat geweest?" zei hij en hij glimlachte.
En - bang! Daar had hij een oorvijg te pakken. Zo rolde hij huilend in zijn bed en sliep in.
De volgende morgen riep de oude vrouw hem op het matje.
"Hoe kon je je nou op zo'n daad beroemen!"
De broers bleven de hele dag thuis. Maar toen het donker was geworden, gingen ze opnieuw naar het plein.
Na een poosje ging Juan ook. En het paard kwam. "Wat zeg je ervan, Juan?"
"Hombre, de prinses is een erg mooi meisje. En ze zal met een ieder trouwen die de opdracht vervult," zei hij.
Nu, hij had de toverdoek om een mooi pak en een das gevraagd.
En om veel andere dingen.
Om gouden appels en een verguld zadel.
Om een hoed. Zijn broers herkenden hem niet.
Hij naderde het platform.
Hij wierp de appels en trof.
Natuurlijk alleen omdat het veelkleurige paard hem hielp.
Ditmaal liet het paard toe dat men het ving.
Het zei: "Vangen mogen ze mij.
Maar let erop dat ze mij niet in een stal of iet dergelijks opsluiten.
Zeg hun dat jij voor het paard zult zorgen, dat het zich door niemand anders laat aanraken.
Ik ga nu weg. Denk eraan dat ik niet ver weg ben."
De beide oudere broers kwamen thuis.
Ze dachten dat Juan in bed lag.
Ze controleerden dit niet omdat ze gewoonweg niet verwachtten dat hij zou kunnen zijn opgestaan.
"Hoe was het?" vroeg de oude vrouw.
"Tja, grootmoeder: vandaag heeft de jongen zich dan laten vangen. Ze wisten niet hoe hij heette."
De volgende dag was Juan verdwenen.
De oude vrouw huilde. Ze was van hem gaan houden.
De beide broers kon het niet veel schelen. Ze konden Juan nergens vinden.
Ze gingen naar het paleis. Daar was hij ook niet.
Pas veel later, na meerdere weken, zelfs na bijna een maand, vertoonde hij zich met de prinses op het balkon.
De hele tijd tot op dat moment hadden ze hun kamer niet verlaten en elkaar bemind; voor niets anders hadden ze tijd gehad.
Nu toonden ze zich aan volk en de beide broers, die in de menigte stonden, zagen hen ook.
"Kijk dat eens aan," zei de oudste... ons kleine broertje zoekt het hogerop.
Daar moet voor ons toch ook wat te halen zijn.
In de toekomst wordt hij koning.
Daar moeten we toch een stokje voor steken."
"Ach wat, laat hem met rust," zei de tweede, "je bent niet tegen hem opgewassen."
"Wat moet dat betekenen?" zei de oudste boos, "dat zullen we nog wel eens zien."
De volgende dag gingen ze naar hun broer.
De oudste zou het woord doen.
Hij klopte aan de deur van het paleis.
De koning kwam naar buiten en vroeg: "Hoe kan ik jullie van dienst zijn?"
"Majesteit, ik ben gekomen omdat uw schoonzoon mij verzekerd heeft dat hij u de hondjes terug zou kunnen bezorgen waarmee u als kind gespeeld heeft."
"Is dat zo? Ja, dat moet ik mijn schoonzoon toch eerst zelf vragen."
Dus liet hij hem komen en vroeg hem of dat klopte. "Ik heb nooit iets dergelijks beloofd," antwoordde deze hem.
"Potverdrie," riep de koning, "ik geef je drie dagen de tijd en als het je niet lukt mij binnen deze termijn de hondjes te bezorgen dan heb je je leven verspeeld."
Ja, zo was het.
Juan maakte zich zorgen.
En de prinses liep in de kamer op en neer.
Juan wist niet wat hij moest doen, want drie dagen is een korte tijd.
Hij dacht dat het paard het moe moest zijn om hem te helpen.
Maar hij ging toch naar de stallen en plotseling kwam het paard aangedraafd.
"Wat is er aan de hand, Juan? Waarom ben je zo treurig?"
"Stel je voor, wat mijn broers nu weer bedacht hebben!"
"Wat heb ik je gezegd? Maar je wilde niet luisteren," zei het paard. "Kom nu. Maak je geen zorgen. We zullen naar de kust gaan. Neem je gitaar en een groot rond brood mee. Ga aan de oever zitten. Een walvis zal verschijnen en in de buik van de walvis bevindt zich een kist met de hondjes van de koning."
Zo vertrokken ze.
Het paard verstopte zich.
De walvis kwam aangezwommen. Juan begon te spelen.
Hij zong en wierp stukken brood naar de walvis.
De walvis kwam nader en nader. Juan werd bang.
Het paard fluisterde: "Als ik uit mijn schuilplaats kom, zal dat de walvis aan het schrikken maken."
De walvis kwam nu heel dichtbij.
Toen fluisterde het paard de jongen toe dat hij de walvis nu de buik moest opensnijden.
Later zou hij hem met zand kunnen vullen, dichtnaaien en weer in zee werpen.
De jongen deed wat hem gezegd werd en vond de hondjes.
"Heel goed," zei het paard, "we gaan ze naar de koning brengen.
Maar bereid je vast voor: de problemen zijn hiermee nog niet voorbij."
De koning was heel gelukkig. Maar na een maand, misschien was het iets langer, klopten Juan's oudere broers weer bij de koning aan.
De oudste zei: "Majesteit, uw schoonzoon heeft beweerd dat hij de groene vogel kan vangen die vlak bij de zee leeft." Opnieuw liet de koning Juan halen en opnieuw zei deze dat hij nooit iets dergelijks had beweerd.
Maar wat hielp het.
De koning zei toch: "Je hebt drie dagen de tijd, anders...!"
Daar kwam het paard al aan. De jongen vertelde hem wat er gebeurd was.
"Ik weet alles," zei het paard, "daarom kom ik nu ook langs. Laten we gaan."
Toen ze aan de kust kwamen, zei het paard: "Daarginds leven een neger en een reus. Als de neger zijn ogen dicht heeft, slaapt hij. Bij de reus is het net omgekeerd. Hij slaapt met open ogen. Er zijn daarginds kooitjes in alle kleuren. Je moet de vogel halen met het slordigste verenpak. Hij zit in de oudste kooi."
Nu, er waren kooien van puur goud.
Goede hemel, wat waren die mooi.
Maar de jongen zei tegen zichzelf: "Ik kan beter doen wat het paard me aangeraden heeft."
Dus nam hij de onooglijkste kooi.
"Welke heb je meegebracht?" vroeg het paard toen hij terugkwam.
"De oudste. Er waren enkele andere die er heel verleidelijk uitzagen."
"Ik was al bang dat je een van die kooien zou nemen. Dat zou slecht voor mij hebben uitgepakt."
En het paard veranderde plotseling in een prins, die zei: "Nou Juan, als je het al niet over je hart kunt verkrijgen je oudere broers te bestraffen, moet je minstens de koning uitleggen hoe zij steeds geprobeerd hebben je te gronde te richten."
"Dat wil ik liever niet."
"Je moet. Want het was de laatste keer dat ik iets voor je doen kon. Nu werkt de tovenarij nog, maar spoedig zal ik een mens zijn zoals alle andere. Dan kan ik niets meer voor je doen."
Toen bezon de jongen zich en vroeg: "Maar wat zal ik tegen de koning zeggen?"
"Vertel hem alles wat je broers je aangedaan hebben. Er zal niets anders opzitten."
Dus gehoorzaamde Juan.
De koning riep de beide andere broers bij zich.
Die beweerden dat ze nooit iets dergelijks hadden gedaan.
Maar de koning stond erop alles precies te weten.
Ontkennen was zinloos.
En toen beval hij: "Sluit ze op in een huis en stop de kelder vol met kruit.
Dan moet men het huis in de lucht laten springen."
Later was Juan treurig.
Het leek alsof hij gehuild had.
Toen het huis was ontploft, vroeg hij de koning of hij de beenderen van zijn broers bij elkaar mocht zoeken.
De koning vroeg hem waarom hij nooit verteld had dat zijn broers hem naar het leven stonden.
De prins die ooit een paard was geweest en nu weer mens geworden was, leek zeer tevreden.
Hij vertelde de jongen dat deze zijn vader en moeder niet moest vergeten.
Ze namen wapens en proviand mee want het was ver weg.
De prins, die een paard was geweest, Juan en de prinses met wie hij getrouwd was, gingen op weg.
Ze troffen de ouders van de jongens nog levend en wel aan, maar ze waren nu wel heel oud.
De oude mensen vroegen naar hun beide andere zonen maar daarop antwoordden ze alleen: "We weten niet wat er met hen gebeurd is."
De prins had Juan aangeraden zijn ouders niet te vertellen wat er met de beide oudere broers was gebeurd.
Dus zei de jongste gewoon: "Ik kan jullie daarover niets vertellen.
Ik ben de ene weg ingeslagen en zij de andere."
En dat was niet eens een leugen als men het goed bekijkt.
Ze probeerden de ouders naar het andere land mee te nemen, maar die wilden dat niet.
Dus bouwden ze voor hen een nieuw huis, bijna een paleis.
De oude mensen smeekten hen te blijven.
"Nee," zei Juan, "langer kunnen we nu niet bij jullie blijven.
De ouders van de prinses wonen in het andere land en zij mist hen."
En dat is alles wat er te vertellen valt.

De arme houthakker.
Een sprookje van de Mexicaanse indianen.
Anacia Ventura was de naam van de jongen.
Hij had geen vader meer.
Hij ging naar het bos om hout te hakken.
Op een dag hoorde hij de schreeuw van een dier.
Het huilde daar buiten in het bos.
Hij dacht bij zichzelf: "Wat zou er met dat dier zijn?
Ach, ik zal het eens gaan bekijken."
Zo gezegd, zo gedaan.
Toen hij op de bewuste plaats kwam, stelde hij vast dat het een slang was die een ree had gevangen.
Het was het ree dat zo schreeuwde.
Toen hij naderbij kwam, zag hij dat de slang zeven koppen had.
Ze probeerde het ree dood te bijten, maar kreeg het niet voor elkaar omdat haar bek te klein was.
Toen zei Anacia: "Arm dier.
Hoe wil je nou zoiets groots verslinden?
Ik zal je helpen."
Dus doodde hij het ree en sneed het in kleine stukken.
Die voerde hij toen aan de slang.
Ze at het hele ree, in kleine stukjes die in haar bek pasten.
Er bleef niets over behalve een hoop botten en de kop.
Toen zei de slang: "Hartelijk dank, dat je me geholpen hebt.
Kom nu mee.
Ik breng je naar het huis van mijn vader."
Zo gingen zij op weg.
De slang voerde hem mee naar haar vader, maar ze nam een andere gestalte aan.
Ze was niet langer een slang maar een heel mooie vrouw.
Toen ze bij het huis kwamen, zei ze: "Vader, ik heb een jongen meegebracht.
Hij heeft me geholpen.
Ik wilde koste wat het kost een ree opeten.
Ik had het gevangen maar ik kon het niet doden.
Toen heeft hij het voor me gedood en zo versneden dat ik het opeten kon.
Nu zit ik vol."
"Heel goed dochter.
Maar wat wil je nu met hem doen?
Zullen we hem een dier schenken?"
"Nee, vader."
"Geld dan misschien?"
"Nee, vader."
"Maar iets moeten we hem toch geven."
"Geef hem toch wat je in je zak hebt."
"Nee, dochter."
"Geef het hem nou, vader.
Jij kunt toch wel aan een andere spiegel komen."
Dus haalde de man een kleine spiegel uit zijn zak en zei: "Hij zal van veel nut voor je zijn.
Gebruik hem alleen zó. Draai hem zo in je hand. Beveel dan: "Breng geld, breng eten, breng wijn." Je kunt ook zeggen: "Doe dit, doe dat." Het zal meteen gebeuren."
"Heel praktisch."
Anacia ging naar huis.
Hij werkte niet meer.
Alles wat hij hoefde te doen was zijn spiegel te bewegen en te zeggen: "Breng me levensmiddelen, breng me geld!" En meteen gebeurde het.
Op een dag zei hij tegen zijn moeder: "Moeder, ik wil met de dochter van de koning trouwen."
"Goed, mijn zoon."
Zo ging de beste vrouw naar het paleis en vroeg de koning namens haar zoon om de hand van zijn dochter.
"Heer koning," zei ze eenvoudig, "mijn zoon zou graag met uw dochter willen trouwen."
"O ja?"
"Ja, heer koning"
"Mooi. Ik heb gehoord dat hij niet dom is.
We zullen zien.
Hij moet hierheen komen en een tijdje voor me werken. Dan geef ik hem misschien mijn dochter tot vrouw."
De vrouw ging terug naar huis en vertelde haar zoon wat de koning had gezegd.
Anacia kwam naar het paleis en meldde zich voor het werk.
De eerste opdracht die de koning hem gaf, zag er als volgt uit: De koning gaf hem zakken en daarin bevonden zich bonen, maïs en pompoenpitten door elkaar heen.
Die moest hij uitzoeken en elke soort apart in een zak doen. Dit moest in één nacht gebeuren.
De koning gaf de jongen voldoende kaarsen, zodat hij de hele nacht licht had. Maar Anacia was nog niet alleen of hij nam de spiegel en beval: "Alles sorteren, bonen in een zak, maïs in een zak, pompoenpitten in een zak."
Mieren kwamen om het werk te doen. Het duurde nog geen uur. Toen ging de jongen liggen om te slapen.
De volgende morgen kwam de koning: "Wakker worden, wakker worden. Nou, heb je je werk gedaan?"
"Ja, het is gebeurd zoals u het hebben wilde."
"Je bent heel ijverig, dat moet ik je toegeven. Nu gaat het erom land te rooien.
Je hebt drie dagen, dan moet er zoveel land gerooid zijn dat men er driehonderd pond graan op uitzaaien kan."
De jongen werkte een dag en toen was er zoveel land klaar dat men er vierhonderd pond graan op kon zaaien.
"Jij kunt ook alles!" zei de koning hoofdschuddend, toen hij het nieuws kreeg. "Maar nu is het menens.
Nu moet je bewijzen of je werkelijk ijverig bent.
Je moet met mijn dochter slapen.
En rond middernacht moet het kind geboren zijn dat je bij haar hebt verwekt."
"Goed," zei Anacia, "ik zal het proberen."
De koning ging weg en Anacia dacht na. "Wie kan me hierbij helpen?" bedacht hij.
Hij haalde zijn spiegel te voorschijn en de vogels die de baby's brengen vertelden hem dat hij zich geen zorgen hoefde te maken.
Tegen middernacht brachten deze vogels al de derde baby.
De baby's krijsten.
De koning werd wakker en toen hij zag hoeveel kinderen er lagen, viel hij bijna flauw.
"Genoeg, genoeg," schreeuwde hij, "er moet ook iemand voor ze zorgen en ze verschonen.
Mijn arme dochter! Drie kinderen heb je bij haar verwekt in een halve nacht!
Het is ongelooflijk."
"Ze had er plezier in," zei de jongen, "je kunt het haar vragen."
"Werkelijk?" vroeg de koning.
"Ja, veel plezier," riep de dochter heel vergenoegd vanuit het bed.
De volgende dag zei de koning: "Jij bent werkelijk een ijverige knaap.
Jij moet koning worden.
En, mijn dochter, je trouwt nu meteen met hem."

Ixte'que (de dief).
Een sprookje van de Mexicaanse indianen.
Er was eens een vrouw, die had vier zonen en voor elk van hen zocht ze werk.
Zij zelf werkte voor een heel rijke baas.
Op een dag vroeg hij haar of zij inderdaad vier zonen had.
"Ja," antwoordde de vrouw.
En waarmee voorzagen zij in hun levensonderhoud?
Nou, de ene was schoenmaker, de andere kleermaker, de derde timmerman.
Er waren er eigenlijk vier maar de vierde zoon wilde de vrouw niet noemen omdat hij een dief was, maar toen flapte ze het er toch uit. Ze zei: "En de vierde zoon, tja, dat is een dief."
Dat interesseerde iepatrón buitengewoon.
Hij zei: "Ik zal er vier met geld beladen muildieren op uit sturen.
Vertel dat je zoon.
We zullen zien wat hij kan!"
Toen ze thuiskwam zei de vrouw tegen haar zoon: "Hé, de patrón wil je op de proef stellen, of je werkelijk een goede dief bent.
Hij stuurt er vier muildieren op uit en als het je niet lukt ze te beroven zal hij je vast en zeker laten oppakken."
De zoon antwoordde: "Maak je geen zorgen, moeder. Dat zal me wel lukken."
Hij ging naar zijn broer, de schoenmaker, en zei: "Wees zo goed en maak een paar schoenen voor me."
De schoenmaker vroeg: "Waar heb je die dan voor nodig?"
"Ik heb ze gewoon nodig."
Toen hij zijn schoenen had gekregen, ging de dief de deur uit en hij wachtte op de weg waar de muildieren langs zouden komen.
Hij gooide een schoen op de weg en verstopte zich toen.
Ik weet ook niet precies waar.
Ergens waar men hem niet zien kon.
Toen naderden de soldaten en een kapitein met vier muildieren over de weg.
De schoen lag op de straat.
De kapitein zei: "Hé, dat is een prima schoen. Eens kijken of hij me past."
Hij paste de schoen en vervolgde: "Hij zit als gegoten. Waar zou de tweede schoen zijn die hier bij hoort?" En tegen de soldaten zei hij: "Kom, kijk eens om jullie heen. Ergens moet toch die tweede schoen zijn. Ik wil hem hebben."
Toen de kapitein een poos later beide schoenen aan had, keek hij naar de muildieren om, maar hij kon ze niet meer vinden.
Dus ging hij terug.
Hij zocht hier en hij keek daar.
Hij vond ze niet.
Men bracht de kapitein en de soldaten voor de patrón en die vroeg: "Hebben jullie het geld daarheen gebracht waar het heen moest?"
De soldaten antwoordden: "De dief heeft het ons afgenomen."
De patrón schold: "Waarvoor hebben jullie eigenlijk geweren bij je! Jullie hadden de dief toch kunnen doden." De soldaten zeiden: "We weten nog altijd niet hoe hij het geld te pakken heeft gekregen."
De patrón stuurde de soldaten weg terwijl hij dacht: die spreken de waarheid niet.
Hij zocht de dapperste soldaten die hij in het land vinden kon.
Toen zei hij bij zichzelf: "Eén keer heeft de dief me het geld afgenomen, een tweede keer mag dat niet meer gebeuren.
Nu, aangezien ik de beste soldaten in dienst heb, kan ik nogmaals een geldtransport sturen."
De moeder trof haar zoon, de dief en zei: "Ik ben benieuwd of je ook dit transport kunt beroven."
"Op de een of andere manier zal het me wel lukken," zei de dief.
Vervolgens ging hij naar zijn broer, de kleermaker, en zei tegen hem: "Naai toch alsjeblieft een priesterrok en een kosterkleed voor me. En schiet op. Ik heb het snel nodig."
Dus naaide de kleermaker een priesterrok en een kosterkleed en op de afgesproken tijd kwam de dief de beide kledingstukken afhalen. De ene broer kleedde zich als koster; hij droeg een boek en wierook bij zich. Het heilige water was alleen in werkelijkheid sterke drank, zo sterk dat men er al na enkele glazen dronken van zou worden.
Toen de kapitein en de soldaten er aankwamen, liep de priester hen op de weg tegemoet. De kapitein vroeg: "Waarheen voert de weg, vader?"
"Ik ga naar de stad... de mis voorlezen."
De kapitein zei: "Wilt u ons een plezier doen en voor ons bidden, vader? Want weldra komen wij door een gebied waarin een dief rondzwerft."
De kapitein had er geen idee van dat de priester in werkelijkheid de dief was.
De priester antwoordde: "Het spijt me, maar ik moet de mis gaan lezen."
En de kapitein smeekte hem opnieuw: "Alstublieft, doe het toch, want deze dief is gevaarlijk. Hij wil onze muildieren en al het geld stelen."
Ten slotte zei de priester: "Goed dan... ik zal voor jullie bidden!"
Hij nam zijn boek, begon te bidden, en plotseling stond de koster daar, precies zoals die twee het afgesproken hadden. De koster zei tegen de soldaten dat het geen heilig water was wat de priester daar had maar sterke drank en terwijl de priester bad, nam de koster een ferme slok.
De kapitein stond er dichtbij en zei: "Kun je mij daar ook niet wat van aanbieden?"
De koster sprak: "Het is geen wijwater maar wijn voor het avondmaal."
"Hoe het ook zij," zei de kapitein, "geef me een slok."
De koster weerde af maar deed dat alleen om de schijn op te houden.
Na een poosje liet hij de kapitein drinken en de soldaten ook.
Ondertussen stonden de dieren, die met geldzakken waren beladen, onder een boom.
Toen de kapitein en de soldaten van de drank geproefd hadden, werden ze dronken en ze vielen in slaap.
De priester hield niet op met bidden, tot hij ook de laatste soldaat hoorde snurken.
Heel goed.
Ze trokken de soldaten de priesterkleren aan en die werden daar niet wakker van, zo vast sliepen ze.
Zo stal de dief de muildieren met al het geld voor de tweede maal.
Toen de soldaten wakker werden, droegen ze priestergewaden. Een van hen vroeg: "Waarom ben ik zo gekleed?"
Maar niemand kon hem antwoorden.
Een voor een ontwaakten de soldaten.
Het geld was weg.
Ze droegen priesterkleding. Dus braken ze meteen op.
De mensen in een klein plaatsje zagen ze aankomen en dachten dat het priesters waren, maar het waren soldaten.
In het plaatsje zeiden de mensen: "Daar komen de missionarissen."
Iemand beklom de toren en luidde de klokken.
De mannen verzekerden de bevolking dat ze geen missionarissen waren.
Dat bleven ze mompelen terwijl ze door het dorp marcheerden, anders zouden ze waarschijnlijk afgeranseld zijn, want de Indianen hielden niet van missionarissen.
Ze kwamen bij hun patrón en vertelden hem wat er gebeurd was.
Daarop zei hij: "Ik wil dat jullie hier blijven. Ik moet hier over nadenken.
Ik vrees dat de dief me nog eens alles afsteek wat ik bezit."
En hij beval de soldaten zijn huis te bewaken.
De vrouw kwam en hij zei tegen haar: "Het is uw zoon weer gelukt.
Maar hij moet me nog één maal bestelen.
Voor de laatste keer, maar wanneer het hem deze keer niet lukt laat ik hem en u neerschieten."
De vrouw vertrok en vertelde het haar zoon, de dief. "Je moet voor de laatste keer mijn patrón bestelen.
Wanneer het je deze keer niet lukt, laat hij ons allebei doden.
Deze keer moetje zijn poncho stelen. Die ligt in het huis waar de patrón slaapt.
Beproef je geluk, mijn zoon."
"Maak je geen zorgen, moeder. Het zal me ook deze keer lukken," zei de dief.
Hij liep meteen naar zijn broer, de timmerman. Hij zei: "Maak een houten pop voor me, één die kan bewegen."
De timmerman maakte de pop.
En de dief droeg de pop naar het huis dat hij moest beroven.
De patrón sliep op de tweede verdieping.
Dus ging de dief uitzoeken in welke kamer hij lag, en toen tilde hij de pop op en liet deze voor het venster opduiken.
De patrón dacht dat dit de dief was.
Hij pakte zijn pistool en schoot meerdere keren op de pop.
Toen zei hij tegen zijn vrouw: "Word wakker. Ik heb de dief gedood."
Maar de vrouw werd niet wakker.
De patrón liep naar beneden om te kijken of de dief inderdaad dood was.
Toen de dief de patrón naar beneden zag komen, klom hij omhoog naar de slaapkamer.
En omdat de vrouw van de patrón nog altijd sliep, zei de dief: "Word wakker, vrouw. Ik heb de dief gedood. Geef me de poncho. En bovendien wil ik een kus van je." Wat hij verder nog tegen de vrouw van de patrón zei, kan ik niet over mijn lippen krijgen.
Ondertussen probeerde de patrón uit te vinden waar de dief naartoe gerend kon zijn.
Hij kon hem nergens vinden.
De dief nam de poncho en gaf de vrouw van de patrón snel nog een kus.
Wat hij verder nog met haar deed, kan ik niet over mijn lippen krijgen. Daarna maakte hij zich uit de voeten.
Toen de patrón ontdekte hoe hij voor de gek gehouden was, werd hij zo kwaad, dat hij stierf.

De groene vogel.
Een sprookje van de Mexicaanse indianen.
Er waren eens drie meisjes; ze waren wezen.

Blancaflor.
Een sprookje van de Mexicaanse indianen.
Er was eens een man, dat was een tovenaar.
En er was een andere man, dat was een goed kaartspeler.
Op een keer troffen de beide mannen elkaar in het casino en Señor Don Juan, de tovenaar, nam tijdens het spel Señor Don Pedro al zijn rijkdommen af.
Nadat Señor Don Pedro geen geld meer bezat, vroeg hij Señor Don Juan of ze om een ring verder zouden spelen en Don Juan won toen ook nog deze ring van hem.
Vervolgens speelden ze om een dasspeld.
Ook die verloor hij.
Nu had hij niets meer wat hij nog had kunnen verliezen.
Toen zei Don Juan: "Waarom spelen we niet om uw leven?
Ik zal wat geld op uw leven zetten."
Wel, aangezien Don Pedro alles verloren had, ging hij op dit aanbod in.
Hij verloor nogmaals. Nu behoorde ook zijn leven Don Juan toe.
Deze zei hem, dat het inlossen van de schuld wat hem betreft geen haast had.
Hij zou hem wel laten weten wanneer hij zich in zijn huis moest melden.
Hij gaf hem een paard en zei hem dat het dier hem als het zover was wel naar zijn huis zou brengen.
Daarop scheidden hun wegen.
De tovenaar Don Juan ging ervan uit dat de ander zijn belofte gestand zou doen.
Hoe had hij ook het verdrag dat ze gesloten hadden, kunnen ontduiken?
Don Pedro voelde dat hij door een kracht, waartegen hij niets kon uitrichten, naar het huis van Don Juan werd getrokken.
Hij klom dus maar op het paard en liet het aan het dier over de weg te vinden.
Zo snel als een gedachte reist, van het ene ogenblik op het andere, was hij in het huis van Don Juan.
Toen hij zich daar aanmeldde, merkte Don Juan ietwat verwonderd op dat de vreemdeling wel erg gewetensvol was als het om het inlossen van zijn schulden ging.
Señor Don Juan had een dochter en die heette Blancaflor.
Hij beval het meisje voor Don Pedro een bed op te maken, want van de lange reis zou die waarschijnlijk erg moe zijn.
Toen het meisje Blancaflor Don Pedro zag - het was zonder twijfel een knappe en statige jonge man - kreeg ze medelijden met hem en ze verraadde hem wat haar vader met hem van plan was.
Hij zou hem doden en wel op zo'n manier dat niemand op de gedachte zou kunnen komen dat het een misdaad geweest zou kunnen zijn.
Blancaflor zei tegen Don Pedro: "Voor mijn vader u een opdracht geeft, die u moet uitvoeren, zal ik u het ontbijt brengen.
Het zal zeer heet zijn maar dat zult u waarschijnlijk pas merken als u zich verbrand heeft.
Hier geef ik u wat poeder.
Schud het in de hete chocolade die ik u bij het ontbijt zal voorzetten.
Mijn vader zal vragen: 'Verbrandt u al, Don Pedro?'
Daarop moet u antwoorden: 'Maar nee, Sehor Don Juan, integendeel, het was me niet heet genoeg.'"
En zo gebeurde het.
De volgende ochtend, als Don Juan en Don Pedro elkaar weerzien, roept de vader zijn dochter en draagt haar op het ontbijt binnen te brengen.
Dat doet ze.
De beide mannen gaan zitten om te ontbijten en Don Juan vraagt Don Pedro of hij niet verbrandt.
En deze verklaart: "Welnee. Integendeel, het is me niet heet genoeg."
"Aha," zegt de ander, "u heeft ze aardig achter de ellebogen".
Toen vervolgde hij: "De eerste opgave, die u oplossen moet, als u uw vrijheid en leven terug wilt winnen, bestaat daaruit dat u me een ring terug moet bezorgen die mijn grootvader ergens in een zee verloren heeft.
Zoek deze ring en breng hem meteen naar mij toe."
Don Pedro vertrok.
Voor de deur wachtte Blancaflor op hem.
Ze vroeg: "Welke opgave heeft mijn vader u gegeven?"
"Ik moet een ring terugvinden die uw grootvader in zee is verloren.
Hoe moet ik daar nou mee beginnen?"
Blancaflor troostte hem: "Maak u geen zorgen.
Ga en wacht op mij.
Ik zal me in een zeemeermin veranderen en de ring zoeken."
En voor Don Pedro met zijn ogen kon knipperen, was Blancaflor terug met de ring.
Toen Don Pedro bij Don Juan kwam was deze niet weinig verbaasd.
Meer dan twee generaties was de ring zoek geweest en nu lag hij daar!
Hij zei: "U heeft ze werkelijk aardig achter de ellebogen of u heeft helpers die wat van tovenarij weten."
Toen zei hij hem wat uit te rusten want morgen zou er weer een opdracht volgen.
's Ochtends legde het meisje Don Pedro uit, dat men nog een keer zou proberen hem met hete chocolademelk om het leven te brengen.
Hij moest aan het poeder denken dat zij hem gegeven had, dat zou hem weer redden.
Don Juan beval zijn dochter de chocola nog heter op te dienen.
Toen hij zag hoe Don Pedro zonder problemen van de chocolademelk dronk, vroeg hij: "Verbrandt u zich niet, Don Pedro?"
"Nee Don Juan. Integendeel, het is me nog altijd niet heet genoeg."
Wederom merkte Don Juan op dat hij ze wel heel erg achter de ellebogen had of dat hij helpers met toverkracht had. Daarop beval hij hem binnen vierentwintig uur een paleis te bouwen.
En alles moest ook werkelijk tiptop in orde zijn, zodanig dat men er morgenvroeg direct in zou kunnen trekken.
Dat leek Don Pedro onmogelijk.
Opnieuw wachtte Blancaflor hem op bij de deur.
"Wat voor een opgave heeft mijn vader u nu gegeven?" vroeg ze.
"Nu," zei de jongeman, "ik moet binnen vierentwintig uur een paleis bouwen en als ik dat niet voor elkaar krijg, laat hij me doden".
"Och," zei ze, "als dat alles is! Maakt u geen zorgen.
Ik zal u helpen." Ze vervolgde: "Neem deze staf en raak daarmee drie maal de plaats aan waar het paleis moet komen.
Er zullen dienaars komen om het werk te doen."
En zo gebeurde het.
De dienaars riepen hun dienaars en deze weer andere dienaars en inderdaad was het paleis de volgende ochtend klaar.
Toen Don Pedro bij Don Juan kwam en vertelde dat deze het paleis kon komen bezichtigen en er, als hij wilde, ook meteen in zou kunnen trekken zei Don Juan wederom dat hij ze wel erg achter de ellebogen moest hebben of de beschikking had over helpers met toverkracht.
Toen stuurde hij hem weer weg om uit te rusten.
Hij zei: "Er rest u nog één opdracht. Als die volbracht is, mag u terug naar uw land."
De volgende morgen komt Don Pedro en Don Juan zegt: "Blancaflor, breng ons het ontbijt." Als dat op tafel staat vraagt hij Don Pedro nogmaals of de chocolade niet te heet is.
Die antwoordt echter: "Nee, integendeel, ze is me niet heet genoeg."
Don Juan zegt: "Je bent geslepener dan ik. Nog een opdracht en je krijgt je vrijheid terug. Je moet een witte hengst temmen. Als je het voor elkaar krijgt hem zo te temmen dat iedereen hem kan bereiden, ben je vrij."
En, jullie verwachten het al, wederom wachtte Blancaflor op Don Pedro en ze vroeg: "Wat wil mijn vader vandaag van u?"
"Ach, zeg toch "je" tegen me," zei Don Pedro, "met je vader ben ik ook al zo ver. Wat hij vandaag vraagt, lijkt gemakkelijk. Hij zegt dat ik de witte hengst moet temmen. Als me dat lukt, ben ik vrij."
Ze zegt: "Dat is nu net de moeilijkste opgave."
"Waarom is het zo moeilijk?"
Ze zegt: "De hengst zal mijn vader zijn, begrijp je. Het zadel is mijn moeder. Het tuig zijn mijn zusters en ik ben de teugel. Je moet sporen dragen. En ik geef je een zweep. Gebruik het einde, dat is met lood verzwaard. Sla met de zweep zo vaak je kunt op het paard, het zadel en het tuig in. En geef het paard onverbiddelijk de sporen."
In plaats van sporen kreeg hij priemen, dik, groot en lang.
Toen het moment van rijden kwam, besteeg Don Pedro het dier.
Dat probeerde hem af te werpen, maar Don Pedro gaf het de sporen.
Zo voelde het snel wie de baas was.
Als het het paard gelukt zou zijn, zijn berijder af te werpen, had hij hem beslist vertrapt.
Weldra was het paard echter gewond en zwak van alle steken die het van de priemen had gehad en alle klappen van de zweep.
Het gehoorzaamde de geringste beweging.
Zo was ook deze opgave vervuld en Pedro bracht het dier naar de stal.
Toen ging hij naar het paleis van Don Juan.
Die liet zich echter niet zien.
Hij was erg gewond en daarom liet hij doorgeven dat hij die dag aan een stierengevecht had moeten deelnemen en dat de stier hem had verwond.
Hij kon derhalve niet persoonlijk afscheid nemen van Don Pedro.
Die kon nu naar de stal gaan en zich een paard uitzoeken voor de thuisreis.
De opdrachten waren vervuld en hij was vrij.
Blancaflor zegt tegen Don Pedro: "Mijn vader is er slecht aan toe. Je hebt hem aardig toegetakeld. Maar mijn moeder gaat het nog slechter. Haar hoofd zit vol wonden en sneden."
Hij antwoordt: "Maar je had me toch gezegd dat ik het moest doen."
Ze zegt: "Ja, want het was de enige mogelijkheid om hen te verslaan.
Als je een paard uitzoekt moet je opnieuw op je hoede zijn.
In de stallen van mijn vader staan veel mooie dieren maar er staat maar één knokig scharminkel.
Die moet je je laten geven.
De knechten zullen je vragen waarom je nou net dit paard kiest.
Dan antwoord je dat je met een mooi paard onderweg zoveel opzien zult baren en dat niemand je met dit paard iets zal aandoen."
Zo ging hij naar de stallen.
Eerst toonde men hem alleen prachtige paarden.
Maar hij stond erop alle stallen te zien.
Eindelijk kwamen ze bij het paard dat Blancaflor had beschreven.
"Maar heer, toch niet deze..; de knol deugt niet," zeiden de knechten.
"Ik wil hem nou eenmaal hebben."
Dus renden ze naar Don Juan en vertelden hem dat Don Pedro het paard Pensamiento (gedachte) gekozen had.
Don Juan vond dat niet leuk om te horen.
Maar wat moest hij doen als hij zijn gezicht niet wilde verliezen?
Hij moest Don Pedro wel laten gaan met dit paard.
Toen zei Blancaflor tegen Don Pedro: "Deze nacht mogen we geen oog dicht doen en ook nog niet toegeven aan onze liefde, hoe groot mijn verlangen daarnaar ook is.
We moeten dit glas met speeksel vullen.
En dan ervandoor!"
En toen, zo vertelt men, maar ik ben er niet zeker van of ik het geloven moet, brachten ze de halve nacht door met het vullen van het glas met speeksel.
Rond middernacht echter vertrokken ze voor hun vlucht.
Vanwege haar pijn kon de moeder van Blancaflor niet slapen.
Midden in de nacht wekte ze haar man Don Juan en riep: "Hé jij... wat, als Don Pedro onze dochter ontvoerd heeft, nadat hij het paard Pensamiento afgehaald heeft?"
Toen riep Don Juan zijn dochter: "Blancaflor!"
En uit de slaapkamer van het meisje kwam het antwoord: "Ja vader. Moet ik het ontbijt al klaarmaken?"
"Nee, nee kind... slaap maar verder."
En tegen zijn vrouw zei Don Juan: "Daar zie je het.
We moeten onze dochter niet storen in haar slaap."
Maar na een poos ging de moeder weer rechtop in bed zitten en ze zei tegen haar man: "Hé man... wat nou, als Don Pedro onze dochter heeft ontvoerd, nadat hij het paard Pensamiento gehaald heeft?"
Hij roept weer: "Blancaflor!"
"Ja vader! Moet ik je nu het ontbijt brengen?"
"Nee, kind," zegt hij, "slaap nou maar".
Wel, zo ging het steeds.
Blancaflor had een vermoeden gehad en maatregelen getroffen.
Maar het speeksel begon op te drogen.
De stem werd zwakker en zwakker.
En weer zegt de vrouw tegen haar man: Hé jij, jij!... Wat, als Don Pedro onze dochter heeft ontvoerd, nadat hij het paard Pensamiento gehaald heeft?"
Hij zegt: "Nu is het genoeg geweest. We storen het arme kind maar en houden het uit de slaap. Als je me nog eenmaal met deze onzin lastigvalt krijg je een pak slaag... begrepen?!"
Maar na een poosje roept hij toch: "Blancaflor!"
En nu is het antwoord nauwelijks nog te horen; "Ja vader. Moet ik je nu het ontbijt brengen?"
En hij valt tegen zijn vrouw uit: "Hoor je het nu? Onze dochter is slaperig.
We moeten haar nou eindelijk met rust laten!"
Op het laatst waagde de vrouw het echter nog eenmaal haar man te storen.
En wat gebeurde... haar man sloeg haar.
Maar toen hij Blancaflor riep, antwoordde er niemand.
Hij zei: "Dat heeft niets te betekenen. Ze zal in
slaap gevallen zijn.
Daarom heeft ze ons niet horen roepen."
Daarbij bleef het maar toen het licht werd, ging de moeder in de slaapkamer van haar dochter kijken.
Het bed was leeg. Er stond alleen een glas op het nachtkastje.
Ze rende terug naar haar man.
"Jij oude dwaas," zei ze, "heb ik je niet gezegd dat onze dochter weg is.
Ze is ontvoerd!"
"Maar ze heeft toch geantwoord."
"Ach wat. Ze heeft een glas met speeksel op haar nachtkastje gezet en het betoverd.
Dat was het wat ons antwoord gegeven heeft.
Maar haast je nu, misschien kun je hen nog inhalen."
De man veranderde zichzelf in een vogel. Hij vloog weg. Hij vloog snel.
Blancaflor zegt tegen Don Pedro: "Hé, mijn vader zal ons inhalen!
De enige kans die we hebben is het paard Pensamiento.
Ik zal het in een kerk veranderen en jij moet de koster zijn.
Mijn vader zal je vragen of je een jongeman en een meisje gezien hebt.
Daarop antwoord je dat je alleen een meisje hebt gezien en dat hij zich moet haasten omdat hij anders te laat komt voor de mis."
Zo gezegd, zo gedaan.
De vader kwam en Don Pedro zat in de klokkentoren.
De vader vroeg: "Koster, heb je een jongeman en een meisje voorbij zien komen?"
De koster bleef aan het koord trekken.
Hij zei: "Op dit moment luid ik voor de laatste maal de klokken en als u niet naar binnen gaat, komt u te laat voor de mis."
"Ik heb je wat gevraagd."
"... de laatste klok. Ga nu naar binnen! Anders begint de mis zonder u."
De vader denkt bij zichzelf: "Die man is gek." Hij keert om en gaat naar huis terug.
Als hij daar aankomt, vraagt zijn vrouw; "Nou, wat is er gebeurd. Heb je ze ingehaald?"
"Nee."
"Heb je iets gezien?"
"Ik heb met een koster gesproken, die luidde de klokken en zei dat ik snel naar binnen moest gaan als ik niet te laat voor de mis wilde komen."
Ze schreeuwt hem toe: "Jij idioot! Dat waren ze."
Dan verandert de vrouw zichzelf in een reiger. Ze zegt: "Het is beter dat ik zelf ga. Aan jou kan ik niets overlaten."
Zo vloog zij hen achterna.
Na een poos zegt Blancaflor tegen Don Pedro: "Hé jij. Mijn moeder zal ons snel ingehaald hebben. Ik zal mijn haarborstel naar haar toe werpen."
Zij liet haar borstel vallen en deze veranderde in een gebergte. Het rees veel hoger op dan een reiger kan vliegen. Maar uiteindelijk lukte het de reiger toch over de bergen te vliegen.
Het meisje zei: "Hé jij, mijn moeder zit achter ons aan. Ik heb alleen mijn spiegel nog. Ik zal mijn spiegel op de weg gooien. Jij en het paard zullen in een meer veranderen. Ik zal daarin een kleine vis zijn."
En plotseling was daar een meer. De reiger kwam aangevlogen en landde op het water. De kleine vis ontsnapte haar steeds als zij haar vangen wilde. Tot Blancaflor zegt: "Moeder, je kunt me zien, maar je kunt me niet vangen."
En de moeder: "Nou goed, dochter. Maar iets wil ik je toch nog zeggen: Wanneer deze man met wie je nu wegloopt in zijn land terugkomt en hij staat iemand toe hem te omarmen, dan zal hij jou gedurende zeven jaar vergeten."
De reiger keerde om. Het paar nam zijn normale gestalte weer aan. Het meisje zegt tegen Don Pedro: "Heb je gehoord wat mijn moeder zei?"
"Nee."
"Nou, ze zegt dat, wanneer je het toelaat dat een familielid je omarmt als je thuiskomt, je mij voor zeven jaar zult vergeten."
Dus prentten zij zich deze vervloeking goed in.
Toen ze bij de stad kwamen waar Don Pedro woonde, zei hij tegen Blancaflor: "Wacht hier. Ik ga vooruit om alles te regelen."
En zij liep naar de voorsteden terug terwijl hij voor haar welkom een ontvangst organiseren wilde.
Natuurlijk wilden zijn familieleden hem omarmen toen hij thuiskwam, maar hij vroeg hun dat niet te doen.
Hij legde echter niet uit, waarom.
Hij was heel moe.
Hij sliep in.
Een van zijn vrouwelijke familieleden die hem nog niet begroet had, kwam binnen.
Ze legde haar armen om zijn hals terwijl hij sliep.
Ondertussen bereidden ze het vuurwerk voor en regelden ze de muziek om de bruid te kunnen begroeten.
Toen Don Pedro wakker werd, zeiden ze hem dat alles klaar was.
Hij zegt echter: "Wat willen jullie? Waar hebben jullie het eigenlijk over?"
Ze zeiden: "Je hebt ons toch verteld dat je een meisje hebt meegebracht... je vrouw of je verloofde!"
Hij antwoordt: "Ik ben helemaal niet weggeweest. Hoe moet ik dan aan een vrouw gekomen zijn?"
"Maar we dromen toch niet. Je hebt het ons toch verteld."
"Dan hebben jullie het verkeerd begrepen of je iets in je hoofd gehaald. Ik ben nooit weggeweest."
En zo gebeurde het dat de vervloeking ging werken.
Don Pedro vergat het meisje volledig.
En toen hij niet terugkwam, begreep zij wat er gebeurd was.
Aangezien zij over bijna onbegrensde toverkrachten beschikte, bouwde zij in de voorstad een paleis.
Er ontstonden veel geruchten in de stad en er werd veel gepraat over wat het te betekenen zou hebben en wat voor mensen er in het paleis zouden wonen...
Dagen, maanden, jaren vergingen.
Blancaflor richtte een duivenpaar af.
Ze leerde de vogels spreken.
En toen vertelde ze de duiven het hele verhaal, net zoals ik het hier verteld heb.
En aan het eind van de lessen zei het vrouwtje tegen het mannetje: "Hé jij, herinner je je wat mijn moeder heeft gezegd, namelijk dat je je door geen enkel familielid mag laten omarmen, anders zul je me onherroepelijk zeven jaar vergeten."
De mensen braken zich nog altijd het hoofd over de vraag wie toch die vrouw in het paleis kon zijn en toen op een dag in het huis van Don Pedro een groot feest werd gevierd, nodigde men daarvoor alle welgestelde families uit de omtrek uit.
Zo ook Blancaflor.
Ze nam de uitnodiging aan maar stelde de voorwaarde dat ze het duivenpaar mee mocht brengen.
Daar had niemand iets op tegen.
Toen ze bij het dessert waren aanbeland werd het plan opgevat elkaar verhalen te vertellen.
En omdat Blancaflor tot op dat moment geen woord had gesproken drong men er bij haar op aan hier wat ten beste te geven.
Ze vroeg of het toegestaan was dat de duiven in haar plaats vertelden.
Het was haar stem die uit de duiven kwam.
De vrouwtjesduif begon het verhaal met de zin: "Hé jij, herinner je je nog hoe mijn vader je met chocolade wilde verbranden?"
"Ik herinner me niets," zei de mannetjesduif.
En het vrouwtje ging verder: "Maar zeker zul je je de eerste opdracht, die mijn vader je opdroeg herinneren.
Je moest de ring terugvinden die mijn grootvader ergens in zee verloren had."
"Nee, daar herinner ik me niets meer van," koerde het mannetje.
Het vrouwtje vervolgde: "Hé jij, herinner je je nog hoe mijn moeder ons op onze vlucht inhaalde?
Hoe het paard Pensamiento en jij een meer werden en ik een kleine vis en hoe ik mijn moeder vertelde dat ze me wel kon zien maar niet kon vangen?"
Het mannetje deed alsof hij een poosje intensief nadacht en zei toen: "Nee, ik herinner het me niet meer."
En het vrouwtje zei weer: "Hé jij, jij, weet je nog hoe mijn moeder "tot ziens" zei en me dreigde dat jij me zeven jaren lang zou vergeten als een van je familieleden je zou omarmen als je thuiskwam?"
Jullie begrijpen, toen herinnerde Don Pedro zich alles.
De mannetjesduif echter zei: "Nee, daar herinner ik me niets van."
Don Pedro sprong echter op en riep: "Dit is mijn vrouw, dit is het meisje over wie ik jullie lang geleden verteld heb.
Ik was haar helemaal vergeten."
Ja, zo ging het.
Toen ze elkaar herkend hadden, waren alle aanwezigen heel blij.
Men kwam met vlees en andere kostelijke gerechten aanzetten.
Meteen daarop trokken Don Pedro en Blancaflor in het paleis.
Daar zaten ze op zachte kussens en aten zich hun magen vol met lekkernijen.
En terwijl ze deze kostelijke gerechten eten en in donzen bedden slapen, liggen wij op stromatten en eten bonen en tortilla's.

Stamhoofd Kairé en het doodshoofd.
Een Colombiaans sprookje over bovennatuurlijke hulp.
Het jonge stamhoofd Kairé woont dicht bij een rivier. Hij woont in een klein dorp samen met zijn vrouw. Op een dag gaat hij op jacht. Hij wil op een hert jagen, want stamhoofd Kairé en zijn vrouw lusten graag vlees. Hij gaat het bos in om te jagen. En als hij daar zo op de loer ligt, ziet hij, dat er zich iets in het struikgewas beweegt. Hij mikt en schiet zijn pijl af. Hij raakt het: het dier stort neer op de grond. Stamhoofd Kairé gaat erop af. Wat treft hij er aan? Een mens. Een dode.
Kairé is ontzet. Dan zegt de dode: "Kairé, wees niet bang. Goed, jij hebt mij gedood, maar ik weet dat je het niet met opzet gedaan hebt. Als je doet wat ik je zeg, zal ik niet boos op je zijn." - "En wat wil je dan dat ik doe?" - "Snijd mijn hoofd af en neem het mee naar huis. Maar mijn lichaam moet je in de rivier gooien!" Kairé doet alles wat het hoofd zegt. Hij snijdt het af en gooit het lijk in de rivier, maar het hoofd doet hij in een zak en neemt het mee. Hij loopt en loopt, dan zegt het hoofd: "Laat mij naar buiten kijken!" Kairé neemt het hoofd eruit. "Zo, neem nu een pijl en schiet in die richting!" Kairé doet alles precies zo. De pijl raakt een hert. Kairé wil het hert op zijn schouders nemen. Maar wie moet er dan het hoofd dragen? "Laat maar!" zegt het hoofd. "Ik rol wel achter je aan. Ga jij maar voorop!"
Als Kairé thuiskomt schrikt zijn vrouw, omdat achter het stamhoofd aan een doodshoofd rolt. "Je hoeft niet bang te zijn!" zegt Kairé. "Het hoofd doet je niets. Hij is als een broer." De vrouw braadt het hertenvlees en maakt de puree klaar. Als alles gaar is, brengt zij het. "Wil je ook eten?" vraagt Kairé aan het doodshoofd. "Ja," zegt het hoofd, "als je vrouw het vlees voor mij voorkauwt, want mijn gebit is niet goed meer. Maar de puree kan ik zo eten."
Ze leefden zij met z'n drieën in de hut. Kairé neemt het hoofd mee als hij op jacht gaat. Maar na veertien dagen zegt het hoofd: "Nu, lieve vrienden, moet ik een paar dagen weg. Ik heb nog wat te doen. Draag mij het bos in! Leg me op de plek waar je mij neergeschoten hebt! Over een week kun je weer terugkomen om me te halen." Kairé neemt het hoofd, gaat ermee het bos in en legt het weer neer op de plaats waar hij het gevonden heeft. Dan keert hij naar huis terug. Een week lang gaat hij op jacht, een week lang gaat hij uit vissen, maar hij raakt geen wild en vangt geen vis. Als dan het hoofd weer bij hem is, heeft hij weer geluk als de beste jager.
Zo gaan er vele maanden voorbij. Kairé en zijn vrouw krijgen een zoon. Een mooi kind. Als het hoofd niet met Kairé op jacht gaat of aan het vissen is, dan past het op het kind. Het kind groeit. Kairé en zijn vrouw krijgen ook nog een dochter. Van tijd tot tijd moet Kairé het doodshoofd het bos in dragen, en dan moet hij het na een week weer halen.
Op een dag gaat Kairé baden, maar zijn vrouw is in de hut. De kinderen spelen in het gras. Dan komt er een giftige slang, die de kinderen wil opeten. Maar het hoofd rolt op haar toe en vecht met haar. Als Kairé thuiskomt, vindt hij naast de kinderen een giftige slang met een verbrijzelde kop.
Maar het doodshoofd is ziek. Het zegt: "De slang heeft mij gebeten. Ik ben vergiftigd. Luister, en doe alles precies zoals ik het je zeg!" - "Ik luister." - "Goed. Pak mij op en verbrand mij! Laat mij net zo lang branden tot alles tot as is vergaan! Doe de as in een zak. Je zult daarbij een blauwe steen vinden. Neem die eruit en hang die bij je dochter om haar hals als amulet! De as moet je in het bos begraven, waar je mij gevonden hebt!" Kairé doet alles precies zoals het hoofd het bevolen heeft. Hij begraaft de as in het bos. Daar groeit een palm. Bij de palm vindt Kairé iedere week wild. Slechts één week in de maand vindt hij daar niets.
De kinderen worden groot, ze krijgen de leeftijd om te gaan trouwen. Er zijn veel jongens die met de dochter van Kairé willen trouwen. Eén van hen krijgt haar, de zoon van een stamhoofd. Als hij met haar in de hangmat wil gaan liggen, ziet hij de blauwe steen, die in de duisternis oplicht. "Wat heb je daar om je hals?" vraagt hij. "Dat is een steen," zegt de jonge vrouw. "Nee, dat is geen steen. Dat is een toveroog." En hij loopt van haar weg.
Na enige tijd komt er weer een jongeman die met het meisje trouwt. En weer als hij bij haar in de hangmat wil gaan liggen, ziet hij de blauwe steen. "Wat heb jij daar om je hals?" - "Een steen." - "Nee, het is een toveroog. Het kijkt mij heel boos aan." En ook de tweede jongen loopt weg. Nu zijn alle jongens bang. Niemand wil meer met het meisje trouwen. Zo gaan er vele maanden voorbij.
Op een dag komt er een jongeman met maar één oog. Het is in die week dat er geen vlees is. Maar éénoog brengt wild en vis. Hij gaat naar Kairé en zegt: "Jouw dochter bevalt mij." - "Ja," zegt Kairé, "maar ze heeft een boos oog, en daarom wil niemand haar hebben." - "Ik wil haar wel hebben," zegt éénoog.
Enige tijd later is het feest. 's Avonds gaat éénoog met het meisje naar bed. "Laat mij je steen eens zien!" - "Hier!" Ze laat hem de blauwe steen zien. De jongen neemt de steen en steekt hem in zijn oogkas, waar het oog ontbreekt. De volgende dag zegt Kairé tot zijn vrouw. "Eénoog is beter dan de andere jongens. Hij is niet van haar weggelopen." Even later komt een man uit de hut van zijn dochter. Hij is geen man met één oog, hij heeft twee ogen. Eén ervan is blauw. "Schoonvader," zegt de tweeogige man, "ik zal nu altijd op jacht gaan. Jij hoeft niet meer te werken. Alleen één keer in de maand, dan zal ik naar mijn familie gaan. Dan kun jij hier in de rivier vissen. Je zult dan altijd veel vissen vangen."
En zo was het.

De toverratel.
Een sprookje van de Arekuna-indianen over hebzucht die gestraft wordt.
Wowo had drie zusters, die getrouwd waren met de beste jagers uit het Indianendorp. Het was dus niet te verwonderen dat zijn zwagers iedere dag met een rijke buit thuis kwamen. Wowo had nooit geluk, hij kwam steeds met lege handen thuis en iedereen in het dorp bespotte hem. Daarom ging Wowo alleen nog maar in de ochtendschemer met zijn blaaspijp op jacht, maar de pech achtervolgde hem ook dan.
Op een morgen zag hij een omgevallen boom en daarop een nest met jonge vogels. Snel pakte hij zijn blaaspijp, legde er een pijl in en wilde hem al wegblazen - maar de vogels smeekten en baden hem: "Maak ons niet dood, we zullen onze dankbaarheid bewijzen! Kom eens dichterbij en pak de kalebas uit ons nest. Het is genoeg, als je hem voor de helft vult met water. Je zult wel zien wat er gebeurt..."
Wowo ging naar het nest en werkelijk, er lag een kalebas in. Hij nam hem mee naar de krokodillenrivier. Daar vulde hij de schaal half met water zoals de vogels hem gezegd hadden.
Het water was nog maar nauwelijks in de kalebas gekomen of de rivier droogde uit en de meerval, de doornvis, de longvis en de krokodil spartelden in het ondiepe water. Wowo zette vlug de kalebas op de grond en verzamelde de vangst, die zo groot was dat hij hem op de terugweg nauwelijks tillen kon. In gedachten was hij al bij zijn zusters en zwagers: ze zouden hem zeker prijzen voor zijn buit.
Maar nee, zijn zusters en hun mannen waren jaloers op zijn geluk, dat zich op de tweede, derde en vierde dag herhaalde. "De jongen moet kunnen toveren," meenden zijn zwagers, "hoe zou hij anders aan deze vissen kunnen komen. Laten we hem eens volgen!"
Zo gezegd zo gedaan.
Toen Wowo de hut verliet, volgden ze zijn sporen. Toen ze de krokodillenrivier bereikten, zagen ze met eigen ogen, hoe het water, als door een toverhand gedwongen in de kalebas stroomde en de rivierbedding helemaal droog kwam te staan.
Nog voordat Wowo de vissen uit de uitgedroogde rivier kon verzamelen, vroegen de zwagers: "Leen ons je kalebas, wij willen ook graag zo'n rijke vangst naar huis brengen."
"Waarom ook niet," antwoordde de goedige Wowo, "maar vul hem niet verder dan de helft!"
De zwagers namen de kalebas en verdwenen zonder een woord van dank in de dichte struiken.
De volgende dag brachten ze een grotere vangst thuis dan Wowo ooit gezien had. Maar de daarop volgende dag kwamen ze met boze gezichten, want ze hadden niet één visje.
"Wat is er gebeurd?" vroeg Wowo.
De mannen vielen nijdig tegen hem uit: "Vraag dat maar liever niet, we hebben je kalebas tot de rand toe laten vollopen, omdat we twee keer zoveel vissen wilden hebben. Maar in een ogenblik sloegen uit de schaal zulke grote golven in de rivier, dat het kolkende water ons als een speelbal heen en weer gooide en ons bijna had meegesleept, de kalebas is ons uit de handen geslagen..."
Wowo zei geen woord, hij ging naar de rivier om de kalebas terug te vinden. Hij liep aan de oever heen en weer, zocht overal maar kon hem niet vinden. Opeens hoorde hij ruisen boven zijn hoofd en er klonk een vogelstemmetje: "De kalebas vind je niet, maar omdat je medelijden met ons had, geven we je een toverpijl. Leg hem voor de helft in de blaaspijp - en dan zal je wel zien..." Wowo had niet eens tijd om zijn hoofd om te draaien of voor hem lag een korte, bonte pijl. Maar van de vogel was niets meer te zien.
Direct legde hij de pijl half in de blaaspijp en blies hem met kracht weg. De aarde werd als door een zwarte wolk verduisterd en voor zijn voeten vielen eenden en ganzen en allerlei vogels waar de Indianen graag op jagen.
Toen Wowo met zijn jachtbuit thuis kwam, konden zijn zwagers van afgunst niet meer slapen en nauwelijks hadden ze de volgende dag van de toverpijl gehoord of ze wilden hem meteen ook hebben. Wowo kon het verzoek niet afslaan maar hij waarschuwde ze: "Leg de pijl maar half in de blaaspijp, anders loopt het verkeerd met jullie af!"
De mannen dachten maar een paar dagen aan zijn raad en daarna kwamen ze op een dag met boze gezichten, gescheurde kleren en smerig naar huis. "Wat is er gebeurd?" riep Wowo, "en waar is mijn toverpijl?" - "Wees blij dat die vreselijke pijl verdwenen is," riepen zijn zwagers, "we hebben de hele pijl in de blaaspijp gelegd, maar in plaats van dat er eenden voor onze voeten vielen werden we aangevallen door gieren en adelaars en ze hadden ons bijna ter dood gebracht!"
Wowo zei weer geen woord, maar liep het oerwoud in en bereikte al gauw de plaats waar zijn zwagers de pijl hadden afgeschoten en waar de roofvogels hun hebzucht hadden bestraft. Hij liep heen en weer en dwars er doorheen maar de toverpijl vond hij niet. En weer ruisten er vleugels boven zijn hoofd en weer klonk het vogelstemmetje: "Je zoekt tevergeefs Wowo. De roofvogels hebben je pijl meegenomen. Maar omdat je medelijden met ons had, geven we je een laatste geschenk: Een toverratel! Maar vergeet niet, dat je niet meer dan een enkele keer daarmee mag ratelen. Luister goed naar onze raad, anders loopt het slecht af." En voordat de vogels wegvlogen viel er een ratel voor zijn voeten. Hij was met geheimzinnige tekens beschilderd.
Wowo pakte de ratel en probeerde hem meteen. En zie daar: Uit de struiken kwamen herten en tapirs en veel andere dieren en vielen voor hem, als door de bliksem getroffen, dood neer.
Wowo moest vele malen heen en terug gaan om de hele buit bij zijn zusters te brengen. Maar de slechte en jaloerse zwagers vielen als wolven op hem aan: hij moest ze voor enige dagen zijn ratel lenen! Maar Wowo wilde de ratel niet afgeven, pas toen zijn zwagers hem met de dood bedreigden gaf hij hem, maar met een bezwaard hart.
Ze hadden al vlug zoveel te eten dat ze in overvloed leefden. Desondanks groeide de hebzucht van de mannen steeds meer tot ze op een dag zeiden: "Wie weet, waarom Wowo ons dreigde dat het slecht met ons zou aflopen. Hij gunt ons zeker die fijne lekkernijen niet. Laten we het meteen maar eens uitproberen."
En toen ratelden ze een tijdlang met de ratel. Het geluid van de ratel was nog niet verstomd of er waren al heel wat dieren. Maar niet die dieren waar de Indianen graag op jagen, maar juist die waarvoor ze in angst en vrees op de vlucht gaan: de krokodil en de jaguar. Met wilde kreten stortten ze zich op de geschrokken hebzuchtigen, verscheurden ze en vraten ze meteen op. Alleen de ratel en een paar botten bleven over.
Toen het al lang nacht was geworden en de zwagers nog steeds niet thuis waren, ging Wowo op zoek. Hij zag al gauw wat er was gebeurd. Hij begroef de resten, nam de ratel en ging met het treurige bericht naar zijn zusters.
Sinds die tijd wilde niemand zijn toverratel meer lenen en Wowo was zijn leven lang tevreden. Men vertelt zelfs dat de toverratel zijn nakomelingen tot nu toe met zijn toverkracht dient.

De luiaard en de regen.
Een dierenverhaal van de Indianen uit Panama.
"Ai, de luiaard is zo handig, dat hij zich met de wind kan voeden," zeggen de Indianen als ze hem in de takken van de embauba-boom zien hangen. Maar iedereen die de luiaard kent, weet dat de oorzaak van zijn ongewoon gedrag ligt in zijn strijd met de regen.
Vele dieren houden niet van regen. Als de eerste druppels vallen, zijn bijna allen er op uit, zo vlug mogelijk een schuilplaats te vinden. Het gordeldier graaft zich in, de vos kruipt in zijn hol, de vogels gaan naar hun nesten... Ook de luiaard hield niet van regen maar ondanks dat bleef hij, zelfs toen de dikste druppels uit de hemel vielen, breeduit op zijn plekje.
De regen ergerde zich daarover. "Ik zal je wel eens leren," zei hij toen de luiaard weer als een blok in elkaar gedoken zat, toen de regen met bakken uit de hemel viel.
De hele nacht regende het pijpenstelen. De machtige regen hield maar niet op en lachte in zijn vuistje, toen de luiaard een vreselijke verkoudheid kreeg. Maar pas toen hij al half in het water zat, stond hij langzaam op en keek uit naar een betere plaats.
"Ik heb ook nog honger," zei hij, "als ik me dan tussen de droge bladeren van de embauba-boom verstop, kan ik tegelijkertijd van de bladeren eten."
Langzaam, zoals het zijn aard was, kroop hij in de embauba-boom. "Je denkt zeker dat ik me hier voor je verstop, maar dan vergis je je. Ik wil alleen een paar van deze heerlijke bladeren eten," riep de luiaard naar de regen.
Hij lachte luidkeels, maar dat had hij juist niet moeten doen. De regen werd namelijk heel boos. "Wacht maar," riep hij, "geen blad zal je krijgen!" En hij liet het nu hozen van de regen. De luiaard trok geen enkel blaadje meer af want zelfs op zijn rug was hij tot op zijn huid nat.
Denken jullie dat hij naar beneden zou klimmen en een andere schuilplaats zoeken? Nee hoor, hij bleef in de takken van de embauba-boom hangen, hoewel zijn maag knorde van de honger. Hij wachtte op de wind, die dan ook eindelijk kwam en de regenwolken verdreef.
Sinds die tijd hangt de luiaard meestal in de takken van de embauba-boom uit te kijken naar de wind. En sinds die tijd zeggen vele indianen: "Ai, de luiaard is zo handig dat hij zich met wind kan voeden..."

Koejake (Toekan), waarom is je snavel zo groot?
Een Indiaans verhaal over de grote snavel van de toekan.
De oude Karaïben weten te vertellen dat alle vogels vroeger een grote familie waren. De vogels hadden een stamvader en een stammoeder. Maar met de jaren zijn de vogels van elkaar vervreemd geraakt. Zo is het gebeurd dat je nu kleine vogeltjes ziet, en dat er ook heel grote vogels zijn. Sommige vogels kunnen mooi zingen, anderen kregen mooie kleuren.
Onder de vogels onderling ontstonden weddenschappen wie het mooist gekleurd was. De grote gonini moest er dan altijd bij te pas komen, om de kibbelende vogels van elkaar te scheiden. Veel vogels waren erg bang van deze arend. Gonini was zo groot en sterk en had zulke verschrikkelijke klauwen en een snavel. Maar je hebt altijd brutale en moedige lieden.
Zo was het ook bij de vogels. Boontjedief, zwaluw en grietjebie, om enkele te noemen, waren erg brutaal. Koejake en roodborstje waren twee vogels die altijd met elkaar kibbelden. Roodborstje ging er trots op, dat hij de roodste en rondste borst van alle vogels had. Hij zei dat Koejake niet in zijn schaduw kon staan. Wat kon Koejake zich ergeren aan roodborstje. "Ik vlieg langer en zweef sierlijker dan jij," kaatste Koejake terug.
Op zekere dag konkelde kolibrie tegen de arend, dat Koejake gezegd had dat arend erg gulzig en wreedaardig was. Gonini, de arend, werd hierover woedend. Hij klapte met zijn vleugels en vloog direkt op om Koejake verantwoording te vragen. Toen hij met zijn vleugels klapwiekte viel de kleine kolibrie ervan omver. Arend vloog regelrecht naar het huis van Koejake en bonsde op de deur. "Koejake," riep arend. "Koejake, doe open, ik ben het. Ik gonini, de arend." Koejake schrok wakker uit een middagdutje. "Wat wil je hebben," riep hij, "ik moet je toch niet betalen?" Arend kookte van woede en riep: "Doe open!"
Bang geworden, deed Koejake de deur open. Voordat hij één woord kon zeggen, greep gonini, de arend, hem bij zijn kraag, en begon hem links en rechts op zijn snavel te timmeren. Ik zal je leren je snavel te gebruiken om mij te belasteren, riep de opgewonden gonini uit. De klappen kwamen zo hard aan en waren zo talrijk, dat de snavel van Koejake ervan opzwol. Wat zag die arme Koejake er uit met zijn opgezette snavel!
Vanaf die dag heeft de Koejake zulk een grote snavel.

Het meisje met het doodshoofd.
Een sprookje van de Aurakanen (Andes-Indianen, Chili).
Er was eens een machtig opperhoofd, dat in een groot en prachtig huis woonde, waarin veel bedienden voor alles moesten zorgen. Zijn vrouw was al enige tijd gestorven en hij had maar één dochter, waar hij erg veel van hield. Ze kreeg dan ook alles wat ze maar wenste. Op een keer ging het opperhoofd naar een groot feest, waar veel werd gegeten en gedronken. Ook het opperhoofd dronk meer dan goed voor hem was, zodat hij op het laatst niet meer precies wist wat hij deed. En zo gebeurde het, dat toen een vreemde vrouw naar hem toekwam, die wel met hem wilde trouwen omdat hij zoveel geld had, hij bij zichzelf dacht: "Ach ja, laat ik dat maar doen. Mijn vrouw is immers toch al zo lang dood en als ik opnieuw trouw, heeft mijn dochter tenminste wat meer gezelligheid." Hij zag niet, dat de vrouw een slechte en lage inborst had.
En zo vond kort daarna het tweede huwelijk van het opperhoofd plaats. Al gauw werd de tweede vrouw heel erg jaloers op het jonge meisje, dat er lief en knap uitzag. Daarom hield ze ook niet van haar stiefdochter. Maar het werd nog erger, toen bleek, dat het meisje verloofd was met een jongeman, die er ook al knap en flink uitzag. Het opperhoofd, met wie de vrouw om zijn rijkdom was getrouwd, was al oud en niet meer zo flink en krachtig. Zij zou dan ook maar wat graag zélf met de verloofde van haar stiefdochter willen trouwen en zij verzon een plan om het huwelijk te verhinderen.
Nu woonde dicht bij de woning van het opperhoofd een boze tovenares. De vrouw ging naar deze tovenares toe en gaf haar veel geld. Daarvoor in de plaats kreeg zij een toverzalf, die was gemaakt van het merg uit de beenderen van een dode. Tegen de vrouw van het opperhoofd zei de tovenares: "Als je deze zalf op het gezicht van je stiefdochter smeert, verandert haar eigen lieve gezichtje in een doodshoofd." De tovenares vergat er echter bij te vertellen, dat alles, wat met deze toverzalf werd aangeraakt, er als een geraamte zou gaan uitzien. Zo kwam het, dat de vrouw ook zichzelf een lelijke poets zou bakken, maar dat wist ze toen nog niet.
Op de avond vóór het huwelijk ging de stiefmoeder in het geheim en heel stilletjes de kamer binnen waar het jonge meisje in diepe slaap lag. De toverzalf had ze meegenomen en hiervan smeerde ze voorzichtig wat op het gezicht van het slapende meisje. Maar omdat de toverheks niet precies had gezegd, wat ze allemaal moest doen, nam de vrouw bij haar boze daad geen voorzorgsmaatregelen. Zodoende kwamen ook haar vingers, ja, zelfs haar hele hand met de zalf in aanraking. De volgende morgen stroomde het huis van het opperhoofd al vroeg vol met familieleden en genodigden die bij het huwelijk aanwezig zouden zijn. Na het huwelijk zou er een prachtig feest zijn. Toen iedereen aanwezig was, kwam ook de bruid binnen. Zij had een zilverwit kleed aan met een gordel van gekleurd slangenleer om haar middel. Even bleef zij op de drempel staan kijken naar het gewemel van de vele gasten. En wat er toen gebeurde, daar begreep het meisje niets van... Plotseling begonnen alle aanwezigen te schreeuwen van angst en velen waren zelfs zo bang, dat ze hard wegliepen. Want het meisje wist niet, dat haar gezichtje door de zalf van de tovenares veranderd was in een grijnzend doodshoofd.
De stiefmoeder, blij, dat haar list zo prachtig was gelukt, schreeuwde en gilde het hardst van allemaal, waarbij ze haar hand uitstak om naar het meisje te wijzen. Maar juist dat wijzen werd de jaloerse stiefmoeder noodlottig, want toen zagen het opperhoofd en alle mensen, die nog niet waren weggelopen, dat ook haar hand als van een geraamte was geworden. Toen begreep iedereen, dat er iets bijzonders was gebeurd en kregen de mensen medelijden met het jonge meisje, dat haar mooie gezichtje had verloren en er nu zo afschuwelijk uitzag. En dat nog wel juist op haar huwelijksdag.
De dochter van het opperhoofd zelf intussen was vol schaamte weggeslopen en zat weggedoken in een klein kamertje, waar geen bezoekers waren. Zij hoopte, dat de bruidegom haar zou komen troosten. Maar dat gebeurde niet, want die was een van de eersten geweest, die hard was weggerend.
Het opperhoofd wilde het verdriet, dat zijn dochter was aangedaan, niet ongestraft laten. Eerst liet hij door zijn knechten de boze vrouw met stokken zijn erf afjagen en daarna zocht hij het hele huis af naar datgene, wat de oorzaak van de ramp zou kunnen zijn geweest. Zo kwam hij ook bij een kastje, waar zijn tweede vrouw haar persoonlijke eigendommen in bewaarde. Hij besloot ook hier maar eens te zoeken en... ja hoor. Verborgen in een schelp vond hij daar een beetje van de zalf, die was overgebleven. Dit nam het opperhoofd mee om aan een andere tovenaar te laten zien. Diep in het bos woonde een oude tovenaar wiens wijsheid beroemd was in het hele land. Die zou hem misschien kunnen helpen. De wijze tovenaar onderzocht de zalf, hield hem eens tegen het licht, prevelde wat geheimzinnige formules en daarna moest hij wel met het droeve nieuws bij het opperhoofd komen: Er bestond maar één middel om het meisje haar eigen gezicht weer terug te geven en dat zou héél, héél moeilijk zijn. Want de beenderen van de dode, waarvan de zalf was gemaakt, had de boze tovenares in een rivier gegooid. Daardoor waren ze met de stroom meegevoerd en over het hele land verspreid. En het meisje moest nu al die beenderen en beentjes gaan zoeken en zorgen, dat het geraamte van de dode weer helemaal bij elkaar kwam. Pas wanneer ze het allerlaatste beentje zou hebben teruggevonden, zou ze haar eigen gezicht van vroeger weer terug kunnen krijgen.
De dochter van het opperhoofd geloofde niet, dat zij er ooit in zou slagen het hele geraamte bij elkaar te vinden, maar omdat de mensen haar met afgrijzen nakeken, begreep ze ook wel, dat ze niet verder bij haar vader zou kunnen blijven wonen. Ze besloot dan ook haar geluk maar eens te beproeven en door het land te gaan zwerven. Maar eerst nam ze afscheid van haar oude vader. Deze was erg bedroefd om zijn dochtertje en hij probeerde haar moed in te spreken: "Loop maar langs de rivier," zei hij, "je kunt nooit weten of je daar misschien niet wat vindt." Zo ging het meisje op stap. De rivier langs, die door donkere bossen en over kale onherbergzame rotsgebergten stroomde. Zij leefde al die tijd van bessen, wortelen, vruchten en van alles, wat ze verder nog aan eetbare dingen in het bos vond.
Zo zat ze op een keer aan de rand van de rivier uit te rusten en droevig in het water te staren. "Ach," dacht ze bij zichzelf, "was ik maar dood. Wat heb ik zo eigenlijk aan mijn leven?" Terwijl ze daar zo zat, werd haar aandacht plotseling getrokken door een mier, die in het water was gevallen en bijna verdronk. Ze stak hem snel een grassprietje toe en het miertje klauterde op het droge. Daarna legde ze het beestje voorzichtig in de zon, terwijl ze er zelf bij bleef zitten om op te passen, dat het niet door een ander dier werd opgepikt of dood getrapt. Toen zijn vleugeltjes gedroogd waren, vloog de mier weg en riep met een fijn stemmetje: "Als je gaat graven zul je wat vinden! Als je gaat graven zul je wat vinden!" Het meisje begreep eerst niets van deze raadselachtige woorden, maar ze besloot tenslotte de raad van de mier op te volgen. En na een tijdje graven vond ze een van de beenderen van het geraamte en na een poosje nóg een en nóg een. Ze groef en groef tot er niets meer uit de grond te voorschijn kwam en stopte toen alles wat ze gevonden had zorgvuldig in een mandje. Het meisje begreep, dat de beenderen door de stroom waren aangespoeld en daarna langzamerhand onder het zand waren geraakt.
Ze begon nu een beetje moed te scheppen. Enkele beentjes had ze nu tenminste, al besefte ze wel, dat ze nog lang niet zo ver was, dat ze 't hele geraamte bij elkaar had.
Een paar dagen lang vond ze dan ook niets meer. Geen enkel beentje, hoe klein ook en langzamerhand begon ze weer moedeloos te worden. Op een keer zat ze, moe van al dat zoeken, uit te rusten, toen ze plotseling een klein kikkertje zag, dat met zijn poten tussen de slingerplanten verward was geraakt. Het deed alle mogelijke moeite om los te komen, maar daardoor kwam de lus, die de groene slingers om zijn pootje hadden gemaakt, juist hoe langer hoe vaster te zitten. Een eindje verder zag ze een slang aan komen schuifelen. Zijn gespleten tong glipte telkens begerig te voorschijn en het zou niet lang meer duren, of het griezelige dier zou zijn prooi hebben opgeslokt. Het arme kikkertje merkte wel, dat de slang naderbij kwam, maar hoe het ook rukte en trok, het kon niet los komen. Zijn ogen puilden uit van angst! Het meisje zag dat allemaal aan. Zij kon de angst van het arme kikkertje zo goed begrijpen en zij kon toch ook niet lijdelijk toezien, dat het diertje zou worden verslonden. Bovendien vond ze slangen griezelige en akelige beesten. Snel besloten raapte ze daarom een zware steen op en sloeg daarmee kordaat precies op de kop van de slang. De kop werd verpletterd en het gevaarlijke dier was op slag dood. Daarna maakte ze voorzichtig het kikkertje uit de slingerplanten los, zodat het zich weer vrij kon bewegen. Het diertje keek het meisje dankbaar aan en sprong toen met zijn lange benen snel weg in de richting van het veilige water. Maar vóórdat het met een plons weer in de rivier dook, bleef het nog even stil zitten en kwaakte: "Als je gaat graven, zul je wat vinden! Als je gaat graven zul je wat vinden!"
Het meisje begon snel en in opgewonden stemming te graven, want ze moest onwillekeurig aan het voorval met de mier denken. En zoals het toen verliep, verliep het ook nu... Eerst groef ze een paar beenderen op, toen nóg een en nóg een... En ook deze stopte ze allemaal in haar mandje bij de andere, die ze al eerder had gevonden. Daarna ging ze weer verder en met wéér een beetje meer hoop in haar hart. Spoedig kwam ze toen bij een groot meer. Het was een lieflijk plekje waar ze eens heerlijk kon uitrusten. Ze ging dicht bij een paar zilverglanzende boompjes met ritselende blaadjes zitten, in zacht, welig groeiend gras. Plotseling hoorde ze een klagend geluid. Het meisje stond op om te kijken, wat dat wel zou kunnen zijn. Ze liep in de richting waar het geluid vandaan kwam en daar zag ze vlak aan de rand van het water een ree liggen, waarvan het lichaam doorboord was met pijlen. Waarschijnlijk was de ree door de pijlen van een jager getroffen en was hij weggevlucht naar het water om zijn dorst te lessen. Maar door het bloed dat het dier verloor, werd het zwakker en zwakker en nu kon het bijna niet meer en lag het langzaam te sterven.
Het meisje kreeg tranen in haar ogen toen ze dat zag. "Wacht," dacht ze, "misschien kan ik hier wel wat van die kruiden vinden, waarmee men wonden geneest." En snel liep ze weg om ernaar te zoeken. Gelukkig vond ze al gauw wat van die geneeskrachtige kruiden, waarmee ze terugrende naar de plaats, waar de ree lag. Eerst trok ze voorzichtig de scherpe pijlen uit zijn lijf, daarna waste ze de bloedende wonden schoon en tenslotte legde ze de met haar vingers fijn gewreven kruiden op de pijnlijke plekken. Het dier lag haar met zijn zacht glanzende reeënogen dankbaar aan te kijken. Zij bleef naast hem zitten tot de kruiden hun heilzame werking begonnen en om toe te zien of de medicijn voldoende was en of ze misschien niet nog meer moest gaan zoeken. Ook gaf ze het dier wat water te drinken. Van haar twee handen maakte ze een kommetje en zo bracht ze het water uit het meer bij de bek van het dier. Toen het gedronken had, likte de ree even aan haar hand, alsof hij zeggen wilde: "Je hebt me goed verzorgd, dank je wel, lief meisje."
Al gauw begon het dier nu zichtbaar op te knappen en sterker te worden. Het richtte zich langzaam op en het kon ook al weer op zijn slanke pootjes staan, al trilden ze nog wel een beetje van de doorstane ellende. Toen liep het weg in de richting van het bos. Een eindje verder bleef de ree echter weer even staan, keek naar het meisje om en riep: "Als je gaat graven, zul je wat vinden! Als je gaat graven, zul je wat vinden!" Daarna rende hij het bos in en het meisje zag hem niet meer terug. IJverig begon ze nu echter te graven en... ja hoor... ook deze keer vond ze weer wat beenderen van het geraamte, dat ze bij elkaar moest zoeken. Nu had ze langzamerhand het hele geraamte compleet, alleen het doodshoofd ontbrak er nog aan.
Dagen en dagen dwaalde ze door de bossen en velden, die om het meer lagen. Plotseling kwam er een poema op haar af. Het meisje beefde van angst en schrik, want ze dacht niet anders of het dier wilde haar verscheuren. De poema had echter op een afstand gezien, hoe het meisje de ree had verzorgd. En omdat een van zijn poten erge pijn deed en hij er niet meer op kon staan, hoopte hij dat het meisje ook hem zou kunnen helpen. Hij stak haar zijn poot toe en ze zag er een grote doorn in zitten. De doorn trok ze er voorzichtig uit, waarna ze met haar vingers, waaraan nog restjes van de geneeskrachtige kruiden zaten, over de pijnlijke plek wreef. De poema likte verheugd haar handen en deed toen een paar stapjes om weer weg te gaan. Toen bleef hij staan en keek naar het meisje om. Daarop deed hij weer een paar stapjes en keek weer om. Het meisje begreep, dat de poema wilde dat ze met hem meeging en omdat het al donker begon te worden, besloot ze hem te volgen. Misschien kon ze in zijn hol de nacht doorbrengen.
Toen ze in het poemahol aankwam, versmachtte ze van de dorst. Want omdat ze aldoor bezig was geweest met het verzorgen der gewonde dieren, had ze helemaal vergeten om zelf te drinken. De poema zag al gauw, dat zijn weldoenster zo'n erge dorst had en hij snelde weg om water voor het meisje te gaan halen. Toen hij terugkwam, droeg hij tussen zijn voorpoten een doodshoofd, gevuld met heerlijk koel water. Terwijl het meisje dronk, schoot het plotseling door haar gedachten, dat dit wel eens het ontbrekende doodshoofd van haar geraamte kon zijn. In koortsachtige haast begon ze nu alle beenderen en beentjes uit haar mandje zó naast elkaar te leggen, dat het geheel de vorm van een mens kreeg. Als laatste stuk legde ze daar ook het zo juist gevonden doodshoofd bij. En ja hoor, het paste. Haar handen beefden van opwinding en zo kwam het, dat ze aan een scherp beentje haar vinger prikte. Er kwam een druppel bloed uit het wondje en dat viel precies op het geraamte dat op de grond lag. En toen gebeurde er iets wonderlijks... Op hetzelfde ogenblik veranderde het geraamte in een jonge knappe Indianenhoofdman. Die jonge hoofdman was vroeger door de boze tovenares gedood, waarna ze zijn gebeente in de rivier had laten wegdrijven. Doordat het meisje nu echter al de beenderen weer bij elkaar had gezocht en daarbij ook nog haar eigen bloed er op had laten vallen, was de betovering verbroken en keerde de jonge hoofdman weer tot leven terug. Hij stapte op het meisje toe en omhelsde haar. En plotseling bemerkte zij, dat nu ook haar eigen afschuwelijke doodshoofd was verdwenen en dat ze weer haar gezicht van vroeger had terug gekregen.
De jonge hoofdman en het meisje hielden al gauw heel veel van elkaar. Zij trouwden en leefden nog lang en gelukkig samen. En ook de poema, die het meisje naar zijn hol had meegenomen, heeft hen nooit meer verlaten.

Hoe de vogels de nacht op aarde haalden.
Een scheppingsverhaal van de Tembé-Indianen (Brazilië).
In lang vervlogen dagen, toen de aarde pas geschapen was, hing de hemel véél lager dan nu. Hij hing zó laag boven de grond, dat de vogels wanneer ze van de aarde opvlogen er ieder ogenblik met hun koppen tegen stootten. De grote gier die met zijn machtige vleugels de meeste ruimte nodig had om te kunnen vliegen, stootte er zelfs zo vaak en hard met zijn kop tegenaan, dat hij er nu nog altijd een kale kop van heeft overgehouden.
Op het laatst begon dit de vogels knap te vervelen en ze belegden een vergadering om een middel te vinden hieraan een eind te maken. Na lange besprekingen kwamen ze tenslotte overeen, dat ze met z'n allen tegelijk zouden opvliegen en op die manier proberen de hemel wat hoger op te heffen. Op de afgesproken dag kwamen al de vogels van de wereld op een groot veld bijeen om de zware karwei op te knappen. Het was een gepiep en getjilp, een gekras en gekrijs dat horen en zien je verging en het was een prachtig gezicht daar al die vogels met hun veren in alle kleuren van de regenboog bij elkaar te zien.
Toen de koning der vogels, de grote bergadelaar, echter het sein wilde geven om te beginnen, bleek dat er nog één ontbrak: de vleermuis. In die dagen behoorde de vleermuis namelijk nog tot de vogels, maar evenals in onze tijd was hij ook toen al zó lui, dat hij de hele dag placht te verslapen, net zoals hij dat nu nog altijd doet. En ook op die bewuste dag, toen al de anderen zich gereed maakten om met vereende krachten te proberen de hemel wat omhoog te duwen, zat de vleermuis ergens in een beschut hoekje heerlijk te slapen. De overige vogels werden hier zó boos om, dat ze de luiaard uit hun midden verstootten, zodat hij tegenwoordig niet meer tot de vogels wordt gerekend. Bovendien veroordeelden ze de vleermuis om van dat ogenblik af als straf met zijn kop naar beneden te slapen. En zo is dat tegenwoordig nog, zoals iedereen weet die overdag in donkere hoekjes wel eens een slapende vleermuis heeft zien hangen.
De poging van de vogels om de hemel wat omhoog te duwen, gelukte en van toen af aan konden ze naar hartelust rondvliegen, zonder dat ze steeds met hun koppen tegen de hemelkoepel stootten. Maar ook toen was het nog niet goed. Immers: nu de hemel zo hoog boven de aarde hing, was het ook veel lichter op aarde geworden, zó licht, dat het zelfs nooit meer donker werd en iedereen dus overdag moest slapen. De Tembé-Indianen - die de eerste mensen op aarde zijn - vonden dat allesbehalve prettig, omdat ze met de hele dag felle zonneschijn geen oog dicht konden doen. Ze kwamen dan ook met z'n allen bij elkaar om op hun beurt te overleggen wat er gedaan moest worden om aan deze toestand een eind te maken.
Toen kwam een oude Indiaan naar voren die zei, dat hij ver aan de rand van de horizon twee zwarte aarden kruiken had zien staan. Een grote en een kleine. De kruiken werden bewaakt door een oude Azang-demon, maar toen deze sliep, had hij even in de kruiken gekeken en gezien, dat het daar pikdonker in was. Ze moesten ongetwijfeld de nacht bevatten. Als men kans zou zien de nacht uit die kruiken te bevrijden, zou er eindelijk wel eens een eind komen aan dit eeuwigdurende daglicht en konden de mensen weer een behoorlijke nachtrust genieten.
De Tembé's besloten de wijze raad van de grijsaard op te volgen. Een aantal moedige jonge mannen trad naar voren en bood zich aan, om de gevaarlijke onderneming te volvoeren en de nacht uit de door de demon bewaakte kruiken te gaan bevrijden. Ze begaven zich op weg naar de rand van de horizon, waar ze in de verte inderdaad de demon bij de twee zwarte kruiken zagen zitten.
De mannen wachtten tot de demon in slaap was gevallen en slopen toen naderbij om met hun oor tegen de kruiken eens te luisteren, wat of er wel in zat. En daar hoorden ze uit de kruiken verschillende soorten nachtgeluiden opstijgen: het gegons en geritsel van vuurvliegjes, nachtvlinders en andere insecten der duisternis, de piepende roep van de nachtzwaluw, de ruisende vleugelslag van grote en kleine uilsoorten en de kreten van allerlei ander nachtgedierte.
De mannen waren toen overtuigd, dat de kruiken inderdaad de nacht bevatten. Ze slopen terug tot op een veilige afstand en schoten vandaar met hun pijlen de kleinste der beide kruiken in stukken. Als een dwarrelende zwarte wolk stegen al de dieren der duisternis uit de gebroken kruik omhoog en verspreidden zich over de omtrek. De mannen renden zo snel als hun benen hen konden dragen naar de woonplaatsen der Tembe's terug om de heugelijke tijding mee te delen, dat er voortaan weer een nacht op aarde zou zijn en de mensen weer een behoorlijke tijd zouden hebben om te slapen en krachten te verzamelen voor de volgende dag. En er heerste grote vreugde onder de mensen.
Deze vreugde was echter van korte duur, want al spoedig bleek, dat er maar een klein gedeelte van de nacht op aarde was teruggekeerd. Weliswaar werd het nu even donker, maar de mensen hadden zich nog niet goed en wel op hun legersteden uitgestrekt, of de stralende zon verscheen al weer boven de gezichtseinder en maakte het ieder verder onmogelijk om nog een oog dicht te doen.
Wederom kwamen de Indianen bijeen voor een grote beraadslaging en men nam het besluit om ook de grootste der beide kruiken kapot te maken, aangezien die het gedeelte van de nacht bevatte, dat men nog te kort kwam om voldoende te kunnen uitslapen. Maar wie wilde zich met deze gevaarlijke onderneming belasten? De jonge mannen van de vorige keer durfden niet meer. Ze waren zó geschrokken van het dreigende voorkomen van de demon die ze bij de kruiken hadden zien zitten, dat ze het niet waagden de gevaarlijke tocht nog eens te ondernemen. Bovendien zou de demon die nu al één keer voor de gek was gehouden voortaan wel dubbel waakzaam zijn. Wat te doen? Tenslotte besloot men zich tot de vogels te wenden. Het was immers hun schuld, dat men in deze moeilijkheden was geraakt en nu moesten zij ook maar eens meehelpen om het door hen aangerichte kwaad weer uit de wereld te helpen.
De vogels hadden alle begrip voor de klachten van de mensen en wilden graag het hunne ertoe bijdragen, om de nacht weer in zijn volle lengte op aarde te doen weerkeren. Een paar kleine zangvogeltjes boden zich aan om de demon ongezien te besluipen en dan zó mooi te gaan zingen, dat hij op den duur wel in slaap moest vallen. Daarna zouden dan drie grote, sterke vogels - Arakwang, Jakoepewa en Oeroewawa - naar de grootste kruik sluipen en deze met hun sterke snavels in stukken pikken. Men toog de volgende dag - en omdat de nacht zo bitter kort was, was dat al heel gauw - meteen aan het werk. De kleine zangvogeltjes slopen stilletjes naderbij, verborgen zich in een holletje in de grond en begonnen toen zó mooi te zingen, dat de demon al het andere vergat en slechts met zijn hand de maat slaand zat te luisteren. De vogeltjes hieven nu nóg liefelijker en weemoediger wijsjes aan en de demon begon al gauw, door het zoete gezang in slaap gewiegd, te knikkebollen, waarna het niet zo lang meer duurde, of hij strekte zich naast de kruik op de grond uit en begon zwaar te snurken.
Nu was het de beurt aan Arakwang, Jakoepewa en Oeroewawa. De drie vogels naderden behoedzaam de grote zwarte kruik, gingen er met hun drieën om heen staan en begonnen toen tegelijk met volle kracht met hun sterke, scherpe snavels tegen de kruikwand te hameren. En nog vóórdat de slapende demon ontwaakte en goed en wel begreep wat er aan de hand was, viel ook de tweede kruik in scherven uiteen.
En daar steeg de rest van de nacht uit de gebroken kruik omhoog. Een dwarrelende zwarte wolk van nachtinsecten, nachtvogels en allerlei ander nachtgedierte verspreidde zich ver in het rond. Arakwang, Jakoepewa en Oeroewawa zetten het op een lopen zo hard als ze konden om de tevoorschijn brekende duisternis te ontlopen. Een van de vogels, Oeroewawa, struikelde echter over een liaan en werd door de nacht ingehaald. En van dat ogenblik af is Oeroewawa tot een nachtvogel geworden. Bij het vallen van de avond klinkt nu zijn klagende roep door de uitgestrekte wouden van Brazilië.
De mensen waren de vogels echter ten zeerste dankbaar, want voortaan daalde de nacht weer neer op aarde en hadden de mensen voldoende gelegenheid om te slapen en uit te rusten van de vermoeienissen van de dag.

Het meisje en de vogels.
Een verhaal uit de Surinaams-Indiaanse vertelcultuur.
Het meisje en de vogelsIedereen in het dorp wist het dat het meisje Matuwi zoveel van de vogels hield, dat zij met haar gevederde vrienden hele gesprekken kon houden. Zij zelf was heel gelukkig met deze vriendschappen.
Matuwi was eenvoudig en vriendelijk tegen iedereen. Elke morgen en elke avond kreeg zij bezoek van vele vogeltjes. Zwaluwen, grietjebie's, tjontjons, de rediborsu, kanaries, noem maar op; allen kwamen met een lekkernij in hun snaveltje naar het meisje. Matuwi op haar beurt had allerlei kruimeltjes klaar voor haar ‘vriendjes'. Zo ging het dag in dag uit. En ze babbelde vriendelijk tegen haar vliegende ‘vriendjes'.
Op een dag werd Matuwi ernstig ziek. De ouders van Matuwi waren radeloos geworden om de ziekte van hun dochter. Van alles hadden ze reeds geprobeerd om haar beter te doen worden. Maar niets had geholpen. Matuwi werd met de dag zwakker.
O, wat waren de vogeltjes verdrietig. Bij honderden kwamen ze aangevlogen om haar te troosten en beterschap te wensen. Overal zaten ze op de grond, op de spanten van het kamp, op het dak, aan de rand van haar hangmat, zelfs tegen de bladerwand van het kamp. Overal. En ze piepten en floten al maar door. En ze hadden heel wat lekkernijen voor haar meegebracht, heel wat bosvruchten. Het hele vogelrijk was in de waar en in de weer gekomen.
Sommige vogeltjes stierven van verdriet, omdat zij weigerden te eten toen zij Matuwi maar zagen wegkwijnen. De vogels kwamen bij elkaar en zeiden: "Matuwi is onze koningin. Hoe kunnen wij haar helpen?" Rediborsu dacht bij zichzelf: "Matuwi wordt niet beter." En hij bracht zijn familie om de vogelkoningin te groeten en een goede reis naar het hiernamaals te wensen.
Een der kleine grijze vogels sprong op Matuwi's armen en pikte haar. Er kwam wat bloed uit dat op de vogeltjes viel.
Enkele dagen daarna was het dorp en het hele vogelrijk in rouw gedompeld. Matuwi was overleden. Bij haar begrafenis zaten duizenden vogeltjes stil op de takken van de bomen toe te kijken. De vogels hadden zo'n verdriet dat zij nooit meer grote vriendschap met de mensen hebben gesloten. Vanaf die tijd vliegen zij snel weg als je in hun buurt komt.
En jij die dit verhaal hebt gehoord, weet nu ook waarom de rediborsu rode veren en een roodachtige bek heeft.
De offereiser.
Een sprookje van Indiaan Hoosdans
In een land waar de natuur nog zijn eigen wegen kon volgen en de mens met deze krachten respectvol om kon gaan, leefde eens een oude wijze indiaan. Zijn naam luidde Sterke Bizon. Hij was opperhoofd van een kleine, maar hechte stam, waar het leven soms zwaar was, maar de moeite waard.
Sterke Bizon had drie kleindochters, Gouden Veer, Blauwe Wolk en Vlam van de Wind. Drie leuke meiden, die vrolijk door het leven gingen. Vlam van de Wind was de jongste en de felste. Eigenlijk wilde ze net als de mannen op jacht gaan. Blauwe Wolk was een rustig bescheiden meisje en de wijste van allemaal. Gouden Veer was een lieve schat, die altijd iedereen wilde helpen.
Op een kwade dag kwam het onheil hen bezoeken. Sterke Bizon stond ‘s-morgens vroeg al op met een akelig gevoel. Donkere wolken stonden aan de hemel en in de verte donderde en bliksemde het al. Dat was niet zo vreemd in dit land, maar het bezoek dat kwam, was dat wel. Een man, zijn uiterlijk niet zichtbaar door zijn zwarte cape en capuchon, op een zwart paard, kwam naar de Indianen toe.
Zo gastvrij als Sterke Bizon was begroette hij de bezoeker. De man bleef op zijn paard zitten en zei niets. Na een tijd sprak hij wel met een donkere stem. Hij sprak de Indianentaal en zei: ‘Ik zal hier elke avond als de zon onder is gegaan komen. Dan wil ik van u een offer. Een bizon, een prairiehond of een wolf. Dat zal ik 500 dagen doen. Als u mij een offer onthoudt, zal een van uw kleindochters mijn bruid worden. Zo zal dit doorgaan totdat ik drie bruiden heb.'
De man keerde zich om en reed weg, de verbijsterde Indianen achterlatend.
‘Wie is dat?' vroegen ze.
‘Ik weet het niet,' zei Sterke Bizon. ‘De man bluft waarschijnlijk. Hoe kan hij mijn kleindochters meenemen? We zullen ze beschermen. We kunnen soms al niet genoeg voedsel vangen voor ons volk, laat staan voor hem.'
Maar de geheimzinnige man kwam de volgende avond terug, zoals beloofd en vroeg om zijn offer. Sterke Bizon weigerde. ‘Dan zal ik een bruid nemen,' zei de man. ‘Wacht maar af.' Zijn stem had zo stellig geklonken, dat de Indianen toch wel een beetje bang werden. De volgende dag gingen de mannen op jacht, maar een bleef achter om de meisjes te bewaken, want stel je voor. De meisjes zaten in de tipi en vervaardigden dromenvangers. De Indiaan zat voor zijn tipi, maar er gebeurde niets. Maar ineens stak er een onheilspellende wind op en er verschenen nevelwolken. De Indiaan begon te gapen, hij werd moe.
‘Ik hoor een paard hinniken,' zei Gouden Veer en een rilling liep over haar rug. Ze stond op om een kijkje te nemen. De Indiaan was in slaap gevallen. Net wilde ze hem wakker maken of ze hoorde hoefgetrappel. Voor haar stond de man in het zwart. Voordat ze de kans had om terug te gaan naar de tipi, had hij haar al vastgegrepen en op zijn paard getild. Ze gilde het uit en haar zusters kwamen naar buiten. Maar ze konden haar niet meer helpen. Ze zagen hun zusje verdwijnen met de man. De vrouwen waren in rep en roer, alsmede de Indiaan die hen moest beschermen. De andere mannen kwamen terug en waren zeer bedroefd.
'Hij meent het dus. Maar we mogen niet toegeven. We moeten de andere twee morgen nog beter beschermen,' zei Sterke Bizon. De man kwam die avond om zijn offer vragen, maar Sterke Bizon weigerde. ‘Dan zal ik morgen de tweede bruid komen halen,' zei de man. De volgende dag bleven er twee mannen bij de tipi. Ze werden door allerlei rituelen beschermd om dit keer niet in slaap te vallen. Een hele tijd gebeurde er niets. Maar plotseling stak er een sterke wind op. ‘We moeten ons beschermen tegen de nevelwolken, die ons in slaap brengen,' zeiden de mannen en ze dekten hun gezichten af met lappen. Maar er verschenen geen nevelwolken. De wind verdween langzaam. De lucht was helder en de zon stond hoog aan de hemel. Opgelucht haalden ze adem. Het gevaar was geweken. Maar het begon wel te regenen en hard te regenen. De mannen konden hier doorgaans wel tegen, ware het niet dat deze regendruppels uit het niets leken te komen en jeuk op hun huid veroorzaakte. Ze krabbelden druk en zagen niet dat een zwarte man op een paard was genaderd.
‘Ik hoor een paard hinniken,' zei Blauwe Wolk en ze ging naar buiten. Ze zag de twee Indianen als een bezetene over hun getergde huid krabbelen en wilde hen helpen. Maar ze werd gegrepen door de zwarte man en op het paard gezet. Ze gilde het uit, maar de twee Indianen waren niet in staat haar te helpen. Vlam van de Wind was naar buiten gekomen en woedend zag ze hoe haar zusje meegenomen werd. Het verdriet en de verslagenheid waren groot.
‘Maar we mogen niet toegeven aan de wensen van deze boosaardige man,' zei Sterke Bizon. ‘Dan zullen we uiteindelijk allemaal sterven.' ‘Maar opa,' zei Vlam van de Wind. ‘Niemand kan mij beschermen. Morgen zal ik worden meegenomen en eveneens zijn bruid worden. Dat wil ik niet. Wat moeten we doen!' Sterke Bizon keek zijn kleindochter met verdrietige ogen aan en zei: ‘Ik weet het, lieve meid. Wij zijn niet in staat je te beschermen tegen dit monster. Misschien is de Hoedster van de Wolven de enige kans. Of ze bestaat weet ik niet, maar het schijnt dat zij de boosaardigen kan bestrijden. Vlam van de Wind, wij moeten zo dadelijk naar de vlakte trekken. Dat is gevaarlijk, maar de enige kans. Daar moeten wij een vuur aanleggen en de Hoedster van de Wolven oproepen.' ‘Als dat de enige kans is, opa, dan moet dat maar,' zei Vlam van de Wind.
Sterke Bizon nam zijn kleindochter mee naar de vlakte, waar ze een gemakkelijke prooi waren voor roofdieren. Ze legden een groot vuur aan en de oude Indiaan riep de Hoedster van de Wolven op, terwijl de zon langzaam onderging. Het gehuil van wolven klonk in hun oren, maar Vlam van de Wind was niet bang. Alles was beter dan bruid te worden van zo'n monsterlijke man. Een witte nevel verscheen en werd steeds dikker, zo dik dat het hen omhulde. Ze zagen niets meer om zich heen. Heel langzaam ontwaarden zij de gestalte van een beeldschone vrouw met spierwitte vleugels. Naast haar stond een prachtige wolf met zeer vriendelijke ogen. De monden van Sterke Bizon en Vlam van de Wind vielen open van verbazing en ontroering.
‘Ik zal jullie helpen,' zei de Hoedster van de Wolven. ‘Geef de man wat hij wil, elke dag. Doe dit 500 dagen lang. Elke dag zal een van mijn wolven op jullie pad komen en met jullie meegaan. Vraag niets meer. Zij zullen het offer zijn. Kom na die 500 dagen terug.'
Sterke Bizon en Vlam van de Wind keerden terug en een wolf volgde hen rustig. Op het moment dat Vlam van de Wind het dier wilde aaien, merkte ze dat hij niet echt van vlees en bloed was. De man verscheen weer en eiste zijn offer. Zonder dralen schonk Sterke Bizon hem de wolf. Dit ging zo elke avond door en hij liet het jongste meisje met rust. Na die 500 dagen keerde de oude Indiaan en zijn kleindochter terug naar de vlakte om de Hoedster van de Wolven op te roepen.
‘Maar nu heb ik nog steeds mijn andere kleindochters niet terug,' riep de Indiaan verdrietig. ‘En ik mis mijn zusters,' huilde Vlam van de Wind.
De Hoedster van de Wolven verscheen weer en met een vriendelijke zachte stem zei ze: 'Hij zal weer terugkeren en nog meer eisen. De wolven die hij heeft gekregen vullen zijn maag niet, maar hij heeft niet in de gaten dat hij bedrogen wordt. Met uw twee kleindochters gaat het goed. Hij laat ze met rust. Ze leven in een grot. Hij denkt dat hij ze de wolvenhuiden geeft, maar zij weten dat het niet echt is. Doch, ze zijn zwijgzaam en aanvaarden hun lot. Om zich in leven te houden voeden ze zich met kleine dieren, maar daar weet hij niets van. Nu moet je hem nog een wolf geven. Dat is een wolf van vlees en bloed. Volg de man en zie wat er gebeurt.'
Ze keerden terug en een wolf volgde hem. Vlam van de Wind aaide het dier en deze was inderdaad van vlees en bloed. De man keerde terug en zei: 'Nu wil ik weer 500 dagen lang een offer, maar ik wil geen wolven meer. Ze zijn mij te licht verteerbaar. Ik heb niet het gevoel dat ik voldoende gevuld ben. Ik moet mezelf bijvoederen met kleine dieren.' Sterke Bizon pakte de wolf op en gaf hem aan de man. 'Toe, dit is de laatste. Morgen zorg ik ervoor dat je iets anders krijgt.' De man nam het dier in ontvangst en zei: 'Nou, deze voelt wel zwaarder aan.' Hij verdween weer en Sterke Bizon, Vlam van de Wind en een paar anderen volgden de paardensporen. Pas toen de ochtend aanbrak zagen ze het. De man zat voor een grot en roosterde het vlees. Zijn capuchon was af en ze zagen zijn afschuwelijke gezicht. Zijn gebit had scherpe tanden en zijn ogen puilden uit. Een monster, dat was het.
De Indianen hielden zich schuil achter de rotsen en zagen hoe de man het vlees sneed en in zijn mond stopte. Op dat moment viel zijn huid en vlees van zijn botten. Hij gilde het uit en zijn kreten waren in de wijde omtrek te horen. Niet veel later was er niets meer van hem overgebleven dan een geraamte. Nu gingen de Indianen de grot in en vonden de meisjes. Ze waren vastgeketend, dus hadden nooit kunnen ontsnappen. Het weerzien was ontroerend. Sterke Bizon omhelsde zijn kleindochters, terwijl de anderen de ketenen losmaakte.
Vlam van de Wind keek naar de horizon, terwijl tranen over haar wang biggelden. 'Dank, Hoedster van de Wolven, grote dank.'
In de verte klonk het zachte gehuil van een wolf en het leek net of daarin te horen was. 'Geen dank.'

De indiaan en de kikvors.
Pipi, een Indiaanse oma, zat op een bank haar aardewerkpot te maken. Voor haar zat op de grond één van haar klein kinderen. Hij keek aandachtig toe hoe zijn grootmoeder zo geduldig de waterkruik afwerkte. Af en toe neuriede Pipi een Indiaans liedje. "Ik zal je een verhaal vertellen dat je nooit meer mag vergeten," zei de oude vrouw tot de jongen. "Zie je die proru, die kikvors daar? Welnu, de proru heeft een belangrijke plaats in de Indiaanse geestenleer."
Zo begon Pipi Mairu, oma Mairu, haar verhaal. "Het is niet goed dat de Indiaan een kikvors doodt. Doet hij dat toch, dan zal hij na zijn sterven niet in de hemel kunnen komen. Na je dood komt je akare, je ziel, op een brede weg te lopen die naar de hemel voert. Die weg is oneindig lang. Aan het einde ervan is de hemelpoort, groot en glanzend. Je loopt, je loopt en aan die weg schijnt maar geen eind te zullen komen. Op bepaalde afstanden langs die weg staan kleine huisjes. Hierin wonen zeer oude vrouwen. Weet je wie ze zijn?" "Nee," antwoordde het jongetje nieuwsgierig.
"Deze stokoude vrouwtjes," hernam oma Mairu, "zijn de moeders van alle kikvorsen op aarde. En deze oudjes moeten je dorst lessen als je de lange weg naar de hemel aflegt. Voor hun huisje staat altijd een samaku, een grote aarden pot, vol met heerlijke rosekleurige kasiri. Als je nooit in je leven een kikvors hebt geslagen of gedood, mag je zoveel drinken als je maar kunt. Maar, o wee, als je door de oude vrouwtjes herkend wordt als een kikvorsendoder. Dan wordt je weggejaagd en achterna gezeten met een brandende stok."
Oma Mairu vervolgde: "Mijn kleinzoon, dat is maar half kwaad. Doch je moet ook nog weten, dat overal op de brede weg naar de hemel kikvorsen springen, zo groot als mensen. Ze spuwen vuur en heet water op je. Vanzelf loop je hard weg en schreeuwt huizenver. Maar juist door je geschreeuw komen er meer en meer reuze kikvorsen te voorschijn. Sommigen proberen je te pakken met hun lange kleverige tong. De ogen van de kikvorsen zijn zo groot als de nuno, de maan. Hun poten zijn haast zes meter lang, en hun rug is zo breed als het dak ven een danskamp. Intussen nader je tenslotte de poort van de hemel. In de verte zie je al twee gedaanten aan wederzijden van de poort. Wie denk je dat het zijn?"
"Tamusi, de schepper, en zijn knecht," raadde Pipi's kleinzoon.
"Nee," zei de grootmoeder, "Tamusi zit nooit buiten de poort. Daarvoor is hij te mooi en te goed. Het zijn de opperste moederkikvors en één van haar zoons. Wanneer je bij de poort bent aangekomen zien zij reeds aan je voorhoofd wat voor mens je bent geweest. Goed of slecht voor de kikvorsen op aarde. Was je slecht dan wordt je beetgepakt en krijg je een geducht pak slaag, waarna je terug tuimelt naar de aarde. Was je goed voor de kikvorsen op aarde dan gaat de hemelpoort voor je open, en wordt je met muziek binnen gehaald."
"Ik zal nooit een kikvors schoppen, slaan of doden," beloofde de kleinzoon aan zijn grootmoeder. "Braaf zo," zei de grootmoeder,"wees altijd goed voor de proru."
De jager en de koningspapegaai.
Naar de oude Karaiben vertellen, woonde in een dorp een scherpschutter.
Hij leefde van de jacht, en bracht zijn tijd grotendeels in het bos door
Overal kon men zijn jachtkampjes aantreffen.
Zijn vrouw en haar ouders waren domme, hebzuchtige mensen. Gebeurde het een keer dat de jager pech had ondervonden en zonder wild thuis kwam, dan scholden zij hem uit voor luiaard.
De dorpelingen waren dan erg met hem begaan. Want als de scherpschutter veel wild thuis bracht, deelde hij zijn buit met de dorpelingen. Daarom hielden ze veel van hem.
Op een dag kwam de jager druipnat thuis. Het had de hele dag zwaar geregend. Maar hij had een goede jacht gehad. Hij deelde zijn buit weer met de dorpelingen. Iedereen kon naar hartelust eten. De jager werd geprezen om zijn bekwaamheid. Hij liet de lofuitingen langs zich heen gaan zonder een spier van het gezicht te vertrekken. Hij ging een bad nemen en kroop daarna lekker in zijn hangmat. De avond viel.
De volgende morgen verdween hij als een schaduw weer in het bos. Het leven in het natte bos begon pas te ontwaken, de vogels begonnen te fluiten. Na een tijdje vonden de eerste zonnestralen hun weg door het bladerdak van de bomen. Ondertussen speurde de jager scherp rond naar wild.
Plotseling suisde er een pijl langs zijn hoofd. Geschrokken keek hij in het rond. Wie had op hem geschoten? Met welk doel? Hij speurde nog-scherper om zich heen in het nog nevelige bos. Plotseling hoorde hij zijn naam roepen. Hij schrok, keek om, hij keek naar links en naar rechts. Weer werd zijn naam geroepen.
Toen zag hij voor zich een jonge Indiaan op hem toekomen.
De vreemdeling lachte en stelde de jager gerust: "schrik niet, vanaf dit ogenblik moeten wij elkaar als vrienden beschouwen, wij zijn beiden op jacht".
Ze liepen samen verder en speurden naar wild. Na een tijdje hadden ze een paar konijnen en boshoenders geschoten.
Ze gingen tegen een boomstam zitten uitrusten. De vreemdeling vertelde toen dat hij Kreiwako heette.
Onze scherpschutter vond het een rare naam, want Kreiwako betekent papegaai. Toen hoorde onze jager in de verte een troep papegaaien komen aanvliegen. Hij stond op en zei dat hij een paar papegaaien zou gaan schieten. Nauwelijks had hij dit gezegd of de vreemdelingen veranderde in een grote papegaai. Met een van zijn grote vlerken gaf hij de jager een klap op het hoofd.
De jager viel flauw.
Toen hij na een tijdje weer bij kwam, was de vreemdeling verdwenen.
De jager begreep dat hij de koning der papegaaien ontmoet had.
Vanaf die tijd maken de Indianen uit vergelding verwoed jacht op papegaaien

Yoeli.
Hoe het tabakszaad op de wereld kwam.
Een Indianenverhaal uit Suriname.
In oude tijd, toen de Arowakken in vrede leefden met iedereen, zo luidt een verhaal der Indiaanse overlevering, ging hun alles naar de zin. Op zekere nacht kreeg de vrouw van een dorpshoofd een droom. Zij droomde dat een troep vogels van allerlei soorten op haar erf was neergestreken. Ze probeerde tenminste één vogeltje uit de kleurige groep te pakken te krijgen, maar de vogels wipten telkens buiten haar bereik. Ze vlogen niet op, maar maakten sprongetjes.
Doch één vogeltje bleef op het erf rondhuppelen.
Het was een Pientjie, een kolibrie. Hij was de slimste van alle vogels.
Daarom hadden alle vogels grote eerbied voor de Pientjie.
Hij had eens een weddingschap gehad met de aasgier wie het vlugst en het hoogst kon vliegen. En hij had het glansrijk gewonnen. De Pientjie had vele heldendaden op zijn naam. Vandaar dan ook dat alle vogels ontzag voor hem hadden.
De Arowakken zochten een middel om zich in verbinding te kunnen stellen met de geestenwereld.
Het was de Pientjie, die hen daaraan heeft geholpen.
Luister maar. De vrouw droomde verder.
In haar droom zag ze dat de Pientjie een bundeltje naast een post van haar hut achterliet en toen wegvloog. Nadat de vrouw wakker geworden was, dacht ze aan haar droom.
Ze vertelde haar familie ervan. Laten wij kijken of de droom is uitgekomen, zeiden ze.
En waarachtig. Bij een der posten van het kamp lag een bundeltje kruiden. Heel voorzichtig namen de Indianen het op en peuterden het open. In het bundeltje vonden zij zaad een heel fijn soort zaad, het glinsterde en was bijna zwart.
De Indianen keken naar het zaad, dat zij niet kenden. Ze wilden dit vreemde zaad weggooien.
Maar toen sprak het zaad: "Als jullie mij wegwerpen, zullen alle Indianen omkomen. "Jullie kunnen je voorstellen dat de man en de vrouw schrokken.
Het zaad sprak:,,,, Ik ben Yoeli, en ik kom uit de hemel. Als jullie mij goed behandelen, zal ik de Indianen in tijd van nood bijstaan.
De Indianen stopten het zaad in de grond. Het ontkiemde. De plant, die eruit kwam, was de tabak.
De Indianen gebruiken tot vandaag de tabak als een bezweringsmiddel.

Ontvoerd door een kikker.
Sommige mensen zijn heel stom. Ze luisteren naar niemand, ze doen domme dingen en ze lachen andere mensen uit die hen daarop wijzen.
Op een nacht gingen Maraso en zijn broer erop uit om de vissen in hun slaap te overvallen, toen zij een kikker hoorden kwaken. "Hé, Kyhto! Laten we hem vangen," zei Maraso. "Koron, koron, koron," riep de kikker, "ik zal je dragen, ik zal je dragen." - "Hou je mond," zei Maraso. "Waar zit je? Ik kom je pakken."
"Maar je weet toch hoe gevaarlijk dat is, je weet toch dat kikkers kidnappers zijn," begon Maraso's broer, "je weet wat ma ons vroeger vertelde. Er was eens een man die een kikker wilde vangen. Zijn vriend waarschuwde hem nog het niet te doen, maar de man lachte zijn vriend uit, hij dacht dat Kyhto sliep... Kyhto echter wachtte zijn kans af, veranderde zichzelf in een onkwetsbare jaguar, greep de man beet en verscheurde hem. Het hele dorp kwam erbij, ze schoten op Kyhto, maar die sprong steeds weg, geen enkele pijl raakte hem. Daarom zei ma altijd: "Wees niet als die man. Luister als je gewaarschuwd wordt. Als men je zegt dat je iets niet moet doen, doe het dan ook niet. Het is beter om gehoorzaam te zijn, anders loopt het slecht met je af. Vroeger waren de mensen doof voor goede raadgevingen, maar ik heb jullie niet onwetend opgevoed. Kikkers zien er misschien slaperig uit, maar ze zijn het niet en ze hebben klauwen die op die van een jaguar lijken!"
Maraso's broer had het hele verhaal voor niets verteld! "Ik heb hem, ik heb hem," riep Maraso, "kom eens kijken." - "Kom jij maar hier," schreeuwde zijn broer terug. Intussen werd Kyhto groter en groter. "Hij draagt me... hij draagt me..." gilde Maraso. "Hij draagt me weg... Kyhto sleusleu... Gorgelgorgelgorgel, borrelborrelborrel." Maraso was onder water gesleurd en werd weggesleept, zonder dat zijn broer iets kon doen.
Uiteindelijk bereikten Kyhto en Maraso een grote, kale rots midden in een brede rivier en daar liet de kikker de man achter. Het werd een lange, donkere, koude nacht voor Maraso. Er woei een straffe wind, die een aantal vreemde gasten langsvoerde. "Krrr, krrr, krrr," hoorde Maraso kreunen. "Wie is daar?" riep hij. "Krrr." - "Help! Ik wil hier vandaan." - "Niets mee te maken, ik ben de rimpeler. Krrr." - "Hoe bedoelt u?" vroeg Maraso. Dit klinkt niet leuk, ik moet heel beleefd doen, dacht hij. "Ik bezorg de mensen rimpels, domoor."
Nee, schrok Maraso, laat dat niet gebeuren, ik ben nog jong, ik wil nog geen rimpels, maar dat zei hij niet hardop, hij deed alsof hij het allemaal heel gewoon vond, hij zei: "Zo, dat lijkt me belangrijk werk. Waar gaat u naartoe?" - "Overal heen, naar alle dorpen, krrr, krrr, om de mensen oud te maken." - "Goede reis dan maar," riep Maraso. "Tot ziens," krrrrde de rimpeler.
Wat een opluchting, hij ging weg! Maar even later werd Maraso weer opgeschrikt. "Mh, mh, mh, mh," klonk het. "Help!" gilde Maraso. "Ik wil hier vandaan. Wie is daar?" - "Mh, ik ben de verspreider van ziekten." Ziekten zijn nog erger dan rimpels, dacht Maraso en hij vroeg extra beleefd: "Waar gaat u naartoe?" - "Overal heen. Wil je soms mee, dan kun je direct ook een paar ziekten krijgen!" - "Dank u wel," bibberde Maraso, "maar ik zit hier goed."
Wat zit ik te jokken, dacht hij. Stel je voor dat ik hier mijn hele leven moet blijven met elke nacht zulke engerds op bezoek! Wat had hij een spijt dat hij Kyhto had gevangen. "Je moet het zelf weten," mhhhhde de ziektenverspreider, "op een dag wordt iedereen ziek." - "Liever niet vannacht, een andere keer graag."
Maraso bleef alleen achter, hij was zo koud als een steen, hij kon bijna niet meer praten en toen... toen kreeg hij ook nog bezoek van Dood. "Kom jij me helpen?" kon hij met moeite uitbrengen. "Als je het einde van je leven wilt..." Snel hield Maraso zijn lippen stijf op elkaar, want dat was het laatste wat hij wilde. "Ben je er nog?" piepte hij na een tijdje terwijl zijn hart van angst drie keer zo snel klopte.
Maraso kreeg geen antwoord... Zou Dood weg zijn? Waarom was het niet meer zo donker als eerder die nacht? Maraso keek omhoog en zag dat de maan was verschenen. "Kun jij iets voor me doen?" smeekte hij. "Ik heb wel wat anders te doen," zei Maan. "Ik moet alles in beslag nemen dat de mensen vergeten zijn binnen te halen: cassave, katoen, pijlen, als je ze buiten laat liggen, neem ik ze mee."
Toen Maan weer verdwenen was, zag Maraso een ster, die een lantaarn in zijn hand hield die slechts een zwak licht ver-spreidde. "Kom je me helpen?" - "Zie je niet hoe zwak ik ben?" zei de ster Venus. "Het duurt niet lang meer of de dag breekt aan. Als je nu bijvoorbeeld op jacht zou gaan, dan zou ik je helpen, dan zou ik je laten zien welke dingen je vergeet mee te nemen. Zoveel licht heb ik nog wel om je in de ochtendschemering bij het inpakken te helpen. Maar zo gauw het licht is, ben ik onzichtbaar, dan komt die ander en die zal je helpen. Zorg ervoor dat je hem herkent, want ik ga hem niet voor je aanwijzen."
Het werd lichter en lichter en daar was Zon die in een korjaal met een grote, helder schijnende lantaarn voer. In haar boot lag van alles: verschillende soorten pijlen en bogen en allerlei wild. Zo was Zon vroeger en zo is zij nog steeds in de droge tijd: zij zorgt voor alles.
"Hier ben ik! Maraso!" - "Ja, ik zie je wel," lachte Zon. "Heb je honger?" En zij pakte de heerlijkste hapjes uit haar boot: vlees en vis en bananen en drank, en zij aten en zij dronken tot Maraso zei: "Ik heb genoeg gehad." - "Dan gaan we weg," zei Zon. "Ik kan niet weg," zei Maraso, "het water is te diep, de rivier te breed." - "Geen probleem," zei Zon en zij richtte haar stralen op het water dat in elkaar kroop, wegzakte, ondiep werd, helemaal verdween... Dat zie je nog steeds in de droge tijd gebeuren! Toen maakte zij ook nog een ladder voor Maraso en zo kon hij eindelijk van de rots af. Hij had er slechts een nacht doorgebracht, maar hij had zoveel meegemaakt, dat hij er thuis niet over uitgepraat raakte.
"Ik was hardleers, maar ik weet nu wel beter," zei Maraso tegen zijn moeder. "Als ik naar u had geluisterd, was ik niet in zo"n akelige situatie terechtgekomen." - "Ik hoop dat je je les geleerd hebt," zei de moeder. "Ik hoop dat je in het vervolg eerst je hersens zult gebruiken voordat je iets onderneemt."

De moeders van Habuli.
Habuli en de boze tovenares.
Heel, heel lang geleden leefden er bij de Waraus twee zusters die veel van elkaar hielden. Omdat zij geen man hadden, moesten zij alles zelf doen: jagen, vissen, op de kostgrond werken. Eens op een dag gingen zij erop uit om een mauritiuspalm te vellen omdat zij sagomeel nodig hadden en dat kon de stam van die boom leveren. Maar die waaierpalm was bijna drie meter hoog en het was al laat toen zij hem eindelijk tegen de grond hadden. Vermoeid keerden de zusters terug naar hun hut.
Toen zij de volgende dag bij de palmboom kwamen, zagen zij tot hun verbazing het meel al klaarliggen. Daar wilden zij het fijne van weten en zij besloten de nacht bij de boom door te brengen.
Toen het middernacht was, konden zij hun ogen niet geloven: in de buurt stond een pinapalm en een van zijn bladeren boog zich voorover om het meel uit een snee in de stam van de mauritiuspalm te halen. De beide vrouwen stoven naar voren, pakten het geheimzinnige blad beet, en smeekten het vurig zich in een man te veranderen. Eerst weigerde het blad, maar toen ze bleven aandringen, gebeurde het wonder: het blad werd een man die zich voorstelde als Majarahkoto.
Nu had de oudste zuster een echtgenoot. Na enige tijd kreeg zij een zoon die zij Habuli noemde. De man Majarahkoto, die dagelijks voor de beide zusters ging jagen en vissen, vertelde op een dag dat hij een nieuwe zwamp had ontdekt, waarin meer vis zat dan in hun eigen moeras. "Die zwamp is van meneer Jaguar," waarschuwden de zusters hem, "blijf daar uit de buurt." Majarahkoto wilde toch eens zien wat hij daar kon vangen, maar nauwelijks had hij de eerste vis binnengehaald of meneer Jaguar kwam voorbij, greep Majarahkoto en doodde hem.
Wat deed nu Jaguar? Hij vermomde zich als Majarahkoto en ging op weg. Het was al bijna donker toen hij de hut van de beide zusters bereikte. Hij zette de korf met vis voor de hut neer en ging naar binnen. "Goedenavond," zei hij, "ga maar eens buiten kijken hoeveel vis ik heb gevangen." De zusters waren hoogst verbaasd om te horen hoe ruw de stem van Majarahkoto klonk. "Ik ben erg vermoeid en zoek nu dadelijk mijn hangmat op. Geef me mijn lieve Habuli, ik wil hem bij me hebben." Hoewel de stem hun niet beviel, voldeden de vrouwen aan zijn verzoek en Majarahkoto brulde nog: "Ik ga nu slapen, stoor mij niet."
De zusters maakten de vissen schoon, bakten ze en begonnen te eten. Majarahkoto was intussen in een diepe slaap gevallen en hij snurkte zo hard dat het aan de overkant van de rivier te horen was. "Majarahkoto!" schreeuwde de slaper opeens.
De zusters keken elkaar aan. De oudste zei: "Mijn man heeft nog nooit gesnurkt en nog nooit heb ik hem zijn eigen naam horen noemen." En de jongste zei: "Dan is het je man niet." En beiden riepen tegelijk uit: "Dan moeten we Habuli uit zijn armen bevrijden." En de jongste zei: "Ik heb een idee. Laten we boomvezels en repen bast bij elkaar binden en dat ding voorzichtig onder Habuli schuiven. Dan heeft die vreemdeling toch iets in zijn armen en kunnen we Habuli wegnemen." Zo gezegd, zo gedaan.
De beide vrouwen pakten nu het allernoodzakelijkste in - in de eerste plaats de twee stokken van de vuurboor om onderweg vuur te kunnen maken - en namen met Habuli de vlucht. Toen ze een eind op weg waren, hoorden zij Wauhuta zingen, in die tijd een bekende pyjaivrouw, een priesteres. De vrouwen versnelden hun pas, want zij wisten dat Wauhuta een gesloten hut had, zoals alle pyjai, en dat zij daar veilig zouden zijn.
Inmiddels was de zogenaamde Majarahkoto wakker geworden en toen hij zag dat niet Habuli maar een bundel vezels en bast in zijn armen lag, werd hij zo woedend dat hij zich weer in een jaguar veranderde, uit de hangmat sprong en de achtervolging inzette.
De vluchtelingen stonden voor de hut van de pyjaivrouw en riepen: "Wauhuta, doe de deur open!" - "Wie is daar?" - "Wij zijn het, de twee zusters." Wauhuta deed niet open. Toen kneep de oudste zuster in het oor van haar zoontje en Habuli begon hard te huilen. "Wat is dat voor een kind? Is het een jongen of een meisje?" vroeg Wauhuta. "Het is een jongen," antwoordde de oudste zuster, "het is mijn Habuli."
Onmiddellijk deed Wauhuta open: "Kom binnen, kom binnen." Ze had de deur nog maar net achter de vluchtelingen dichtgedaan of Jaguar kwam aangerend, brullend: "Waar zijn ze? Waar zijn de beide vrouwen en waar is de jongen?"
Wauhuta antwoordde dat zij geen van drieën gezien had. "Ik ruik ze! Ik blijf hier wachten tot ze naar buiten komen." - "Steek je hoofd dan maar naar binnen. Als je ze ziet, mag je ze alle drie opeten." Wauhuta knipoogde naar de beide zusters: de deur was van binnen geheel bedekt met zeer lange dorens. Onnozele Jaguar stak zijn kop om de deur, werd gepakt door de dorens en door Wauhuta gedood. De twee zusters, nu weer zonder man, besloten bij Wauhuta te blijven en haar te helpen. De volgende dag vroeg Wauhuta aan hen of zij wat cassavewortels van haar kostgrond wilden halen, dan zou zij kasiri-drank maken.
Toen de zusters Habuli wilden meenemen, zei de pyjaivrouw dat zij graag op hem wilde passen. Zo vertrokken de zusters zonder de jongen en Wauhuta zag haar kans schoon hem een toverdrankje toe te dienen. In één dag groeide Habuli op tot een jongeman die pijl en boog kon hanteren en fluitspelen.
Toen de zusters terugkwamen van de kostgrond, hoorden zij fluitspel en zij zeiden tegen elkaar: "Toen we weggingen, was er geen man in de hut en nu horen wij iemand muziek maken. Hoe kan dat?" Een beetje verlegen gingen zij de hut binnen en daar zagen zij een bijna volwassen jongen die op een bamboefluit blies. "Waar is Habuli?" vroegen ze. "Is hij niet bij jullie?" vroeg Wauhuta quasi verbaasd. "Hij wilde jullie achternagaan en ik heb hem niet tegengehouden. Kom, hij kan niet ver zijn, laten we hem in het bos gaan zoeken."
Toen ze een eindje op weg waren, zei Wauhuta dat ze nog even terug moest. Ze ging haar hut binnen en zei tegen Habuli dat zij zijn moeder was en dat hij goed voor haar moest zorgen. De beide andere vrouwen waren vreemden, die misbruik van haar gastvrijheid maakten.
Habuli geloofde alles wat de vrouw zei en toen de zusters verdrietig terugkwamen van hun zoektocht naar Habuli, die ze natuurlijk niet in het bos hadden gevonden, ging de jongeman op jacht. Hij was een goed schutter en geen vogel ontsnapte aan zijn pijlen. De grote vogels bracht hij voor zijn moeder Wauhuta en een paar kleine waren voor de vreemde vrouwen...
Zo ging dat elke dag en Wauhuta hoopte dat de zusters er genoeg van zouden krijgen altijd de restjes te moeten opeten en dat zij weg zouden gaan. Maar de vrouwen hoopten dat hun kleine jongen naar de hut zou terugkeren of dat zij hem zouden vinden op hun dagelijkse speurtocht in het bos. Daarom bleven zij.
Op een dag bleef een pijl van Habuli in een over een kreek hangende tak steken en de jongeman klom in de boom om hem te halen. Op dat moment zwom een aantal otters, beter bekend als waterhonden, langs. Ze blaften tegelijk: "Wie ruik ik daar? Dat moet onze neef Habuli zijn." Overal keken ze rond en eindelijk ontdekten ze hem op de tak. "Kom naar beneden," riepen ze, "we willen met je praten."
Habuli maakte het zich gemakkelijk op een zandbank en de waterhonden zwommen om hem heen en legden hem uit dat hij een slecht leven leidde: de oude vrouw was zijn moeder niet, de vreemde vrouwen waren zijn moeder en tante.
Habuli geloofde de otters direct en toen hij thuiskwam, gaf hij de grote vogels die hij had geschoten aan zijn echte moeder en hij vertelde haar van het toverdrankje dat hem groter had gemaakt en van de leugens van Wauhuta. Zijn moeder was blij dat haar zoon nog leefde, al had zij er wel een beetje moeite mee dat hij niet meer haar baby was, maar een bijna volwassen jongeman. En Wauhuta...? Wauhuta was zo kwaad dat zij drie dagen niet kon eten. Toen begon zij haar gasten dag en nacht te plagen, totdat Habuli zijn moeder en zijn tante voorstelde te vluchten.
De twee zusters gingen nu elke dag naar de kostgrond om extra cassave te planten voor onderweg en Habuli werkte hard aan een korjaal. Toen alles voor de reis gereed was, ging Habuli voor de laatste maal de hut binnen om zijn pijl en boog en stenen bijl te halen en om de posten, de hutpalen, op het hart te drukken Wauhuta niets te vertellen. Maar Habuli vergat een papegaai die ook in de hut was, het zwijgen op te leggen.
Toen Wauhuta thuiskwam en gilde: "Waar zijn ze gebleven?" hielden de posten hun mond, maar de papegaai schreeuwde: "Ervandoor, in een korjaal." Wauhuta rende naar de waterkant en kwam net op tijd om Habuli, zijn moeder en zijn tante in een boot te zien stappen. "Mijn zoon, mijn zoon, ga niet weg, ik ben je moeder," jammerde zij en zij klemde zich aan de korjaal vast. "U bent mijn moeder niet. Laat los." - "Nee, nee, nee."
Toen hief Habuli zijn roeispaan en liet hem op haar vingers neerkomen. Nog liet Wauhuta de korjaal niet los. Habuli stapte uit de boot en nam Wauhuta mee het bos in naar een holle boom, waarin bijen genesteld waren. Habuli hakte de boom om en zei dat Wauhuta erin moest kruipen om de honing waarvan zij zoveel hield, te verzamelen. Wauhuta kroop naar binnen en Habuli maakte snel de opening dicht en ging weg.
Daar, in zulke holle boomstammen, kun je haar nog steeds vinden, Wauhuta de regenkikvors die ‘s nachts vaak zo erbarmelijk schreeuwt: "Wang! Wang! Wang!" Zij treurt nog steeds om Habuli. Als je haar goed bekijkt, zie je hoe gezwollen haar vingers zijn van de slagen van de roeispaan.

De zonnekinderen.
De zon en zijn tweelingzoons.
Nog voor de grootvader van mijn grootmoeder was geboren, dwaalde er een meisje door het bos op zoek naar vruchten. Op haar rug droeg zij een moetete, een gevlochten mand. Toen zij een ei van een powisi-vogel zag, was zij blij. Dat was een lekkernij voor thuis. Zij deed het ei in haar mand en liep verder tot zij een boom zag waaraan veel vruchten hingen. Zij rekte zich uit om er een paar te plukken, maar de vruchten hingen zo hoog dat zij zelfs op haar tenen er niet bij kon. Zij maakte een sprongetje en probeerde ze zo te pakken te kijgen, maar zij verloor haar evenwicht en viel op haar rug... op de mand waarin het ei zat. Het ei brak en het had niet één maar twee dooiers. Het eigeel stroomde langs haar rug!
Het meisje holde naar huis, waste zich en ging in haar hangmat liggen om wat uit te rusten. Toen verscheen er een vreemde Indiaan in haar hut, die zei: "Ik ben Weju, de zon, en jij wordt de moeder van mijn kinderen. Omdat het ei twee dooiers had, zal er over enige tijd een tweeling worden geboren. Jij en mijn kinderen, jullie zullen mij moeten volgen waar ik ook naartoe ga. Ga nu maar slapen, maar kom mij morgen achterna. Luister naar de stemmen van onze kinderen, de tweelingzonnetjes die nog niet geboren zijn. Zij zullen je de weg wijzen."
Weju verliet de hut en verdween in westelijke richting. De volgende ochtend kwam de zon schitterend op in het oosten, maar het meisje dacht er niet aan dat hij haar man was, totdat de ongeboren zonnekinderen riepen: "Pluk bloemen voor ons, moeder, toe, pluk bloemen voor ons."
Het meisje ging op weg en waar zij bloemen zag, plukte zij die. Zonder het zelf te weten volgde zij zo de zonneweg, want alleen langs de weg van de zon bloeien bloemen. Maar aan sommige bloemen zaten dorens, die het meisje in de vingers prikten en dat deed pijn. Ze sloeg een andere weg in waar geen bloemen bloeiden. De zonnekinderen riepen niet meer om bloemen, omdat zij zagen dat hun moeder de weg van de maan had gekozen. Tegen de avond kwamen zij bij een hut. Bij het vuur zat een paddengrootmoeder te roeren in een pot met pepersoep. "Heeft u iets voor mij te eten?" vroeg het meisje. "lk heb zo lang gelopen en ik ben zo moe en ik heb zo'n honger. Kan ik vannacht hier blijven?"
De paddengrootmoeder schudde haar hoofd. Ze zei: "Ik kan je niets te eten geven en je kunt hier ook niet blijven slapen, want mijn man houdt niet van gasten. Als hij je ziet, eet hij je op. Ga snel weg, meisje, snel!"
"Maar waar moet ik naartoe? Ik ben de weg kwijt." En het meisje legde uit dat zij Weju, de zon, zocht, maar hem nergens kon vinden.
"Waarom zoek je hem?" wilde de paddengrootmoeder weten. Wat moet dat meisje van Weju? dacht ze. Als jong meisje was paddengrootmoeder verliefd geweest op de zon, omdat hij zo warm was en zij zo koud... Maar Weju had haar liefde niet beantwoord.
Het meisje vertelde dat zij de moeder was van de nog ongeboren kinderen van Weju. Toen kreeg de paddengrootmoeder medelijden met haar en zij zei: "Ik hoor mijn man al, vlug, verberg je maar in de pot met pepersoep."
"Ik ruik Indianen," riep de paddengrootvader zodra hij binnen was. "Hoe kom je daarbij, er zijn hier geen Indianen," zei de paddengrootmoeder. De paddengrootvader geloofde haar niet en ging op onderzoek uit. Hij tilde het deksel van de pot met pepersoep op, zag het meisje en doodde haar met één slag. Toen kwamen de zonnekinderen te voorschijn en de paddengrootmoeder smeekte haar man om hen te sparen. Paddengrootvader streek zijn hand over zijn hart en liet de kinderen leven.
De paddengrootmoeder zorgde zo goed voor de tweelingjongens dat zij in een maand zo groot waren als jongens van twaalf. Op een dag zeiden zij dat zij weg moesten, dat zij hun vader wilden zoeken. Paddengrootmoeder begon te huilen, zij wilde niet dat zij weggingen en paddengrootvader riep kwaad: "Hoe kunnen jullie haar dat aandoen! Ik zal jullie krijgen..."
De jongens renden weg, maar een van hen was niet snel genoeg, werd gegrepen en gedood. Zijn broer zag het en riep een voorbijvliegende zonnepapegaai te hulp, die met zijn snavel de jongen bij zijn lendendoek greep en met hem wegvloog. De vogel landde op een verbazingwekkend hoge maripa-palrn met kolossale vruchten. Ze waren in het land van de reuzen terechtgekomen, waar alles ontzaglijk groot is.
Er kwam een oude reuzin aan die een tros maripa-vruchten wilde kappen. De zonnejongen trilde van angst. "Hé, een klein aapje," ontdekte de reuzin en zij pakte het en bond het diertje vast boven op de tros vruchten.
De oude reuzin liep met reuzenstappen over een lange weg en bereikte in korte tijd een uitgestrekte savanne. Daar stond een enorm grote hut waarin haar reusachtige dochter zat. "Kijk eens wat ik bij de maripa-boom heb gevonden? Dat zal smaken, hè Wil jij het braden?"
De jonge reuzin nam het kleine aapje op de arm en streek hem over zijn kopje. "Wat een leuk aapje," zei ze, "en wat is hij mooi bruin. Waarom moeten we hem opeten, er zit bijna geen vlees aan, hij is nog zo klein, hij bijt niet eens. Mag ik hem houden en voor hem zorgen?"
"Vooruit dan maar," zei de oude reuzin. Zo bleef de zonnejongen bij de reuzinnen. De jonge reuzin gaf hem genoeg te eten en sloeg hem nooit. Maar toen hij groter werd, zei de oude reuzin dat het tijd werd om hem op te eten. De jongen hoorde dat en rende naar de rivier. Daar schoot hij met een pijl en boog een kleine vis, die hij besmeerde met een tulala, een tovermiddel. "Wat knap van je!" riep de jonge reuzin uit toen de zonnejongen thuiskwam. "Wat heeft die aap van je gedaan?" wilde de oude reuzin weten. Toen zij het kleine visje zag dat de zonnejongen had thuisgebracht, werd zij erg driftig: "Noem je dat knap? Wat moeten we met zo'n visje, aan die aap van jou zit meer vlees." "Wacht," zei de zonnejongen. "Kook hem eerst en als je daaraan niet genoeg hebt, kun je mij opeten." De jonge reuzin deed het visje in een reuzenpot met water en zette hem op het vuur. Tot haar verbazing werd de kokende vis groter en groter tot hij bijna uit de pot barstte. De zonnejongen keek toe hoe de beide reuzinnen aten en aten tot ze niet meer konden.
Nu moest de zonnejongen elke dag voor hen op jacht en elk visje, vogeltje of konijntje dat hij ving, smeerde hij in met zijn tovermiddel, zodat de reuzinnen altijd genoeg te eten hadden. Intussen dacht het zonnekind: Hoe kom ik hier weg? Kon ik maar vliegen... Toen hij op een keer een hoen zonder staart had geschoten, sneed hij daarvan de vleugels af en oefende daarmee. Het vliegen ging steeds beter en op een morgen besloot hij te vertrekken. Zoals iedere ochtend ging hij naar de rivier om vissen te schieten. Daar lag zijn korjaal en hij stapte erin en voer de rivier op. Zoals hij had verwacht, kwam de oude reuzin al gauw naar de rivier om te kijken of hij al iets had gevangen. "Als je iets wilt zien, moet je hier komen," riep de zonnejongen. "Brutale aap," riep de oude reuzin en zij sprong in het water en zwom naar de korjaal. Het zonnekind deed snel zijn vleugels aan en vloog naar de hemel. Toen hij halverwege was en moeite had om hoger te vliegen, hoorde hij de stern van zijn vader de zon. "Ben je daar eindelijk," zei Weju en hij haalde zijn zoon binnen. "Ik zal je naar je broertje brengen."
"Maar die is toch gedood door paddengrootvader? Dat heb ik zelf gezien."
"Nee hoor," zei vader zon, "ik heb hem opgepikt voordat paddengrootvader hem kon doodslaan."
"Waar is hij?" riep de zonnejongen opgetogen uit.
"Zie je die avondster?" vroeg Weju. "Dat is hem."
"Kan ik ook een ster worden?" smeekte de zonnejongen.
"Natuurlijk," knikte de zon Weju. "Voor jou heb ik werk als morgenster." Zo kun je 's nachts als het helder is en 's morgens vroeg de zonnekinderen aan de hemel zien staan!

Samenwerking.
Een oude verhaal vertelling uit het oude Navajo cultuur.
Geschreven door Toine de Jongh. 22-10-2007.
Lang heel lang geleden was er een berg.
De berg kreunde en steunde iedere dag, omdat hij de sneeuw op zijn machtige schouders droeg.
Onder aan de berg was de zee die altijd opkeek naar de reusachtige berg en zijn voeten beroerde.
En hem bewonderde om zijn enorme kracht.
Op een dag toen de berg voor de zoveelste keer kreunde en steunde riep de zee naar de berg.
"Hé berg!"
"Berg!"
" Waarom kreun en steun jij zo, dag in en dag uit?"
De berg zuchte eens diep en antwoorde:
"Ach beste zee, de last die ik draag
rust zo zwaar op mijn schouders".
"Het doet mij pijn, pijn op iedere kei, iedere rots op mijn lichaam, dat ik bijna uit mijn voegen barst".
"Ik wou dat iemand mij eens van deze last zou bevrijden, dat zou mij zo gelukkig en blij maken.
De zee dacht na.
En op een dag wist hij het.
De zee keek op en riep:
"Hé zon!"
"Zon!"
De zon keek naar beneden naar de zee en vroeg:
"Wat wil je? "laat mij lekker schijnen over deze aarde, dan is iedereen gelukkig."
-"Zon!"
Riep de zee weer naar hem, "luister eens."
"De berg heeft het erg zwaar, en is diep ongelukkig."
Alleen jij bent de enige die hem kan helpen."
"Laat je zonnestralen schijnen op het ijs die de berg op zijn machtige schouders draag, en dan zal ook hij gelukkig zijn."
Zo gezegd zo gedaan.
De zon liet zijn stralen schijnen op het ijs die de berg droeg, en het ijs begon te smelten.
Zo van de berg de zee in.
De berg was dolgelukkig, eindelijk droeg hij niet meer die zware last op zijn machtige schouders.
Maar ineens riep de berg boos naar de zee.
"Hé zee!"
"zee!"
Bulderde hij.
"Waarom bezoedel jij mijn water dat ik je geef, en maak jij het zout? "
"Is mijn water soms niet goed genoeg voor jou?"
Onschuldig keek de zee naar de berg op, en antwoorde:
"Ach lieve berg, alleen als het water zout is kan ik leven."
En zo gebeurd het nu al duizenden jaren dat de zon, de berg en de zee samenwerken.
De Wonderbaarlijke Stenen Kano.
Een sprookje dat bij de Chippewyan-indianen verteld wordt.
Er was eens een jong meisje dat stierf net op de dag waarop ze met een jonge krijger van de stam zou trouwen. De man had de hele zomer naar haar hand gedongen en het was vastgesteld dat ze als de eerste sneeuw viel man en vrouw zouden worden. Toen hij hoorde dat ze dood was kon niemand hem troosten en niets ter wereld kon hem uit zijn droefgeestigheid halen. Hij ging iedere dag naar de plek waar de oude vrouwen van de familie het lichaam van zijn bruid hadden begraven. Zelfs zijn vrienden konden hem niet bewegen in plaats daarvan op jacht te gaan of samen met hen een veldtocht te ondernemen. Zijn hart was als gestorven, noch pijl noch tomahawk interesseerde hem. Toen herinnerde hij zich tenslotte de oude legende van de stam: er zou ergens midden in het bos een pad zijn dat bij het land van de doden uitkwam. Hij besloot meteen dat pad te gaan zoeken.
De volgende morgen al ging hij op weg. Eerst wist hij niet welke richting te kiezen, toen liep hij naar het zuiden waar volgens de overlevering het land der doden lag. Hij zwierf lang door het besneeuwde woud zonder dat hem een verandering opviel; alles zag er net zo uit als thuis. Bossen, heuvels, dalen en beken waren met een dikke laag sneeuw bedekt die het voortgaan bemoeilijkte. Maar uiteindelijk kwam hij in een gebied waar geen sneeuw lag en dat er vriendelijker uitzag; overal zag je vogels, er bloeiden bloemen en dikke knoppen bewezen dat het lente was geworden.
De krijger had de winter definitief achter zich gelaten. De lucht was warm en de zon speelde op het pad dat hij al enige tijd volgde. Nu was hij er zeker van dat hij op de goede weg was, want het was naar men zei altijd zomer in het land van de doden. Hij was net door een klein ahornbosje gelopen toen hij op de heuvel voor zich een wigwam zag. Naast de hut van boombast stond een oude man met lang haar en een boog in de hand. De jonge Chippewyan-indiaan groette hem vriendelijk en stak zijn rechterhand op als teken van vriendschap en om te laten zien dat hij daarin geen wapen droeg.
De oude man wenkte hem naderbij. Toen ze samen aan het vuur zaten begon de jonge krijger zijn verhaal te vertellen. Maar het oude opperhoofd, want dat moest het aan zijn kleding te zien zijn, onderbrak zijn gast:
“Ik heb op je gewacht, want zij naar wie je zoekt is een paar dagen geleden hier voorbijgekomen. Omdat ze uitgeput was door de lange reis heeft ze een tijdje bij mij gerust. Toen moest ze verder en ze kon niet op je wachten. Wees mijn gast, ik zal al je vragen beantwoorden en je raad geven voor de verdere reis. Over de heuvel begint het land van de zielen en mijn wigwam staat aan de grens van het hiernamaals. Als je morgen verder trekt moet je je lichaam bij mij achter laten en ook je boog en je hond. Ik zal alles bewaren tot je terugkomt, want je zult terugkeren naar het land der mensen.”
De volgende morgen ging de jonge krijger weer op weg, maar het was een vreemde wereld geworden. Hoewel alles er natuurlijk bleef uitzien voelde de jongeman zich merkwaardig zorgeloos.
Het land was rijk aan wild, er zongen vogels in de bossen, herten waren op weg naar de drinkplaats en op de open plekken pronkten kalkoense hanen. Er waren bessen en vruchten in overvloed. De krijger keek verbaasd naar het rijk van de geesten, hij kon zonder ze zelfs maar te voelen met gemak door de dikste bomen lopen.
Die middag kwam hij bij de oever van een groot blauw meer. Er lag een groot eiland in de verte dat schitterde boven het water. Aan de oever dobberde een witte kano, die geheel van steen was maar merkwaardig genoeg toch bleef drijven. Er lagen twee peddels in de boot, wit en glanzend.
Hij dacht niet lang na maar stapte in de kano, greep een peddel en duwde de boot daarmee van de oever af. Plotseling zag hij op het water een tweede kano met daarin het meisje wat hij zo lang had gezocht. Al gauw kwamen de boten naast elkaar op het meer, waarvan de golven alsmaar over de twee kano's dreigden te slaan. Mar het was vreemd, telkens als er een grote golf aankwam schoten de twee boten er doorheen alsof hij van lucht was. Het water was helder en doorzichtig als bergkristal. En op de bodem van het meer lagen de beenderen van vele mensen die bij de overtocht waren omgekomen. Er lagen hele hopen botten, zoveel dat je soms het witte zand niet meer zag. De krijger en het meisje waren erg bang, maar als door een wonder overkwam hun niets. Ze landden ongedeerd op het eiland, want de Grote Geest had besloten deze twee mensen ongehinderd over het meer te laten varen.
Het eiland was een toverland waar altijd de zon scheen en niemand honger hoefde te lijden. Je kon er leven van de lucht, niemand hoefde op jacht te gaan en ook de dieren schenen dat te weten want ze waren niet schuw. Niemand rouwde over doden want op dit eiland hoefde niemand te sterven. Dus waren er geen oorlogen en geen onenigheid.
De jonge krijger was graag in dit land gebleven maar hij hoorde de Grote Geest zeggen: “Ga terug naar je lichaam en naar het land vanwaar je bent gekomen. Als je tijd om is zal ik je roepen. Je bent nog niet klaar met de taak waarvoor je bent geboren. Ga terug naar je stam, eens zul je zijn opperhoofd zijn. Het oude opperhoofd aan wie je je lichaam hebt gegeven zal je uitleggen waaruit je taak bestaat.
Schenk hem gehoor en eens zul je terugkomen op dit eiland. Nu echter moet je haar die je hierheen heeft gebracht verlaten. Als je doet wat ik zeg zul je haar eens terugzien, want zij mag altijd hier blijven. Ze blijft jong en mooi als op de dag dat ik haar uit het land van sneeuw en winter hierheen heb geroepen.”
Toen de stem van de Grote Geest zweeg ontwaakte de jonge krijger en was hij plotseling thuis waar het nog altijd winter was. Later is hij naar men zegt een groot opperhoofd geworden.

© Cees Koelewijn/Stichting BIS
Een verhaal van sjamaan en meesterverteller Tëmeta Wetaru uit Tepoe, Zuid-Suriname ( + 1920-2002); met toestemming overgenomen uit Tëmeta inponopïhpë panpira (Testament van Tamenta)
Dit is het verhaal van een man die lang geleden een ontmoeting had met Aware (buidelrat).
Op een dag ging deze man jagen, het liep al tegen de avond.
‘Ik ga een boskip schieten,' zei hij tegen zijn vrouw.
‘Nou, dan mag je wel opschieten,' vond ze.
Nog maar net buiten het dorp hoorde de man een pëtunë opfladderen … saaa saa saarara … .
Hij verliet het pad en ging dwars door de struiken in de richting van het geluid.
Daar was het weer … saaa saa sararara … en jawel … daar zag hij de vogel.
‘Mooi, die zal zo wel gaan slapen,' dacht hij.
Het was al bijna donker en daarom sloop hij wat dichterbij voordat hij schoot.
Hij legde aan en … koeihtang … hoorde hij op het moment dat hij schoot, … koeihtang … poeoe … toepoe .. toepoe .. toe, … toepoe toepoe … iemand anders had ook geschoten!
‘Wat is dat nou?
Wie heeft er geschoten?'
dacht hij … koeoe … tumm … de vogel was van zijn tak gevallen.
De Trio liep er heen … si …. ‘Wie is er hier nog meer?
Wie is hier nog meer bezig?'
Toen zag hij Aware.
‘Hallo,' zei Aware, ‘hallo, wie is daar?'
‘Ik ben hier,' antwoordde de verbaasde Trio.
‘Zo, ben je hierheen gekomen, mijn kleinzoon?' vroeg Aware, ‘ben je tevergeefs hierheen gekomen?'
‘Ja, dat klopt, ik ben tevergeefs hierheen gekomen.
Wie heeft hem geschoten, jij?'
‘Ja, dat was ik,' bevestigde Aware.
‘O, dan ben je me te vlug af geweest,' zei de Trio teleurgesteld.
‘Hahaha ….' Aware lachte hem in zijn gezicht uit.
‘Ja, ik ben je te vlug af geweest mijn kleinzoon.'
De Trio zag dat Aware hem werkelijk te vlug af geweest was.
‘Je hebt het goed gezien, mijn kleinzoon. Je bent niet jaloers dat het jouw vlees niet is.
Kom maar met me mee, dan gaan we samen eten.'
‘Dat is best,' zei de Trio.
Ze gingen nu samen op weg.
Het was net alsof ze een echt pad volgden.
Ze bukten onder een tak … joeng …en toen was het net alsof ze ergens anders tevoorschijn
kwamen … koeroe … onder de stam van een wataki -boom.
Daar gingen ze naar binnen … koeroeng .
‘Kijk, dit is een mïnnë (dicht rond hutje van een pïjai ),' legde Aware uit. ‘Dit is mijn huis.'
De vrouw van Aware was er ook.
‘Kijk oma, ik heb onze kleinzoon meegebracht.
En hier heb ik ook een kleine murumuru ,' zei Aware.
Met murumuru bedoelde hij de boskip, omdat de kleur ervan hetzelfde is als de kleur van de murumuru -palm.
‘Echt waar?' vroeg de vrouw. ‘Wie heeft hem geschoten?'
‘Ik,' zei Aware, ‘ik schoot hem net voordat onze kleinzoon kon schieten.
Doordat hij er naar toe kwam, zag ik de vogel voordat hij hem kon zien,'
De vrouw kookte de boskip.
Voordat ze ervan gingen eten zei Aware tegen zijn gast: ‘Bewaar de botten om later af te
kunnen kluiven, mijn kleinzoon, eet nu alleen het vlees maar op.'
Dat deden ze, ze aten al het vlees op … tekang …. Toen ze klaar waren deed de vrouw een
deksel op de pan met botten en bleven de mannen nog wat met elkaar praten.
‘Je kan hier beter tot morgen blijven, mijn kleinzoon.
Je kan beter niet voor morgenochtend weggaan.
Nu zou je misschien problemen krijgen, een slang zou je misschien bijten.
Blijf dus maar tot morgen,' stelde Aware voor.
De Trio vond het een goed idee.
‘Laten we maar gaan slapen,' zei Aware, ‘laten we gaan slapen, mijn kleinzoon, laten we denken.
Zo breng ik altijd de nacht door, ik breng de nacht hier anders door.
Laten we onszelf van een ziel voorzien [laten we dromen], laten we dat doen.'
De Trio lag daar met zijn ogen dicht.
Hij zei alleen maar ‘Pëë … pëë …pëë …' en dat zegt een Trio alleen maar als hij niet weet wat hij zeggen moet.
‘Nee, dat is geen dromen.
Als je droomt dan geef je jezelf een ziel, een jaguarziel bijvoorbeeld of een slangenziel.
Dat zijn onze gedachten.
Wacht maar tot we slapen,' zei Aware tegen de verbaasde Trio.
‘Echt waar,' stamelde de Trio.
‘Wacht maar tot we slapen. Tot straks ….'
Toen was het stil … maar niet voor lang.
‘Hoe zit het nu precies, grootvader,' begon de Trio weer.
Wat wil je me nu precies vertellen?
Wat bedoel je nu precies met “Laten we gaan dromen”?'
‘Weet je dat dan niet, mijn kleinzoon, weet je dat echt niet?'
‘Nee, grootvader, ik weet het echt niet.
Ik heb er echt geen idee van waar het over gaat.'
Hoe het mogelijk is dat de Trio dit zei?
Dat zei hij omdat er lang geleden geen dromen bestonden.
Vroeger droomden de mensen gewoon nooit.
Daarom vroeg hij dus aan Aware wat dromen nu eigenlijk was.
‘Luister, dit is dromen.
Dromen is bijna net als de werkelijkheid.
In onze droom is het net alsof we een lichaam hebben, maar geen ziel.
Het is echt, mijn kleinzoon, het is net echt.'
‘Echt waar? Hoe bestaat het.
Nee, ik heb er geen idee van wat dromen nu eigenlijk is.'
Aware probeerde het opnieuw uit te leggen.
‘Als je door een jaguar gepakt wordt heeft dat te maken met een geest.
Als we door een slang gebeten worden heeft dat te maken met de ziel van de slang, alsof we
door de pijl van een geest geraakt worden.
Als we door een pijl geraakt worden, dan is dat de ziel van de pijl Zo is het echt, het
is net alsof je geraakt wordt door de ziel van de pijl.
En als we dromen dat we door iemand anders gedood worden, dan heeft het te maken met een jaguar.
Als we over een vrouw dromen, dan gaan we achter een vrouw aan, en als we met een
vrouw vrijen, dan gaat het over de ziel van dieren, die ons dierendromen geven.
In dat geval mag je blij zijn, want het betekent blijdschap.
Als we dan de volgende ochtend zeggen: “Ik ga een dier zoeken,” dan vinden we er ook een.
Maar als we in onze droom vallen of als het touw van onze boog breekt, heeft dat te maken met onze dood.
En als we onze tanden breken, dan heeft dat te maken met de dood van onze vrouw of de dood van onze moeder.
En als we in onze droom karapa (olie, vet) op ons hoofd doen, dan heeft dat te maken met
onze eigen dood, met ons verdriet, onze tranen.
Dat is dromen, mijn kleinzoon,' besloot Aware.
‘Daar wist ik niets van, grootvader,' moest de Trio bekennen.
‘Echt waar?
Wil je het weten?
Ga dan maar slapen, ga maar weer slapen, want het is bijna net als slapen.'
De Trio vroeg zich nog steeds af wat het allemaal te betekenen had maar ten
slotte zei hij toch: ‘Goed, laten we dan maar gaan slapen.'
Nadat de man in slaap gevallen was stond Aware op.
Hij boog zich over de hangmat van zijn gast heen en terwijl hij zijn hoofd heen en weer bewoog richtte
hij zijn felle ogen op het gezicht van de slapende man.
Op dat moment begon de Trio te dromen.
‘Ëëëëëë … ëëëë …,' kreunde hij, ‘ ëëë … help! help! … een jaguar … help!'
Helemaal in paniek werd hij wakker.
‘Mijn kleinzoon, mijn kleinzoon, heb je gedroomd?' vroeg Aware.
‘Gelukkig …,' zuchtte de man toen hij Aware bij zijn hangmat zag.
‘Dat was nou echt dromen,' riep Aware enthousiast.
‘Oh, ik was het dus niet echt zelf.
Ik heb gezien dat ik door een jaguar gevangen werd.'
‘Zie je wel, mijn kleinzoon, zie je wel.
Heb ik het niet gezegd?'
‘Ik had je toch verteld dat ik dit niet kende.
Wij kennen dit niet. Trio's weten gewoon niet wat dromen is.'
‘Nou, dan weet je het nu, want nu heb je ze gekregen, nu zijn de dromen
ook van jou,' verzekerde Aware zijn gast.
De man wist niet wat hij hierop moest zeggen, maar blij was hij in elk geval niet.
Ze gingen opnieuw slapen, maar al gauw begon de man weer in zijn
slaap te kreunen en te schreeuwen ‘… ëëëëë .. ëëë … … ëëëë .. ëë …' kreunde hij …
… en toen maakte Aware hem wakker.
‘Word wakker, mijn jongen, je hebt gedroomd.
Wat heb je gedroomd, mijn kleinzoon?'
‘Ik heb gezien dat ze me doodmaakten,' zei de man angstig, ‘ik heb gezien
dat de mensen me vermoordden.'
‘Je hebt over een jaguar gedroomd, dit heeft met jaguars te maken,' legde Aware nog eens uit.
De Trio kreeg die avond nog meer dromen.
Hij zag van alles, hij droomde over van alles.
Zo zag hij zichzelf ook een keer met een vrouw en toen hij dat aan Aware vertelde, zei die
tegen hem dat het met jachtbuit te maken had.
‘Dat is prachtig, mijn jongen, je hebt over je jachtbuit gedroomd.'
Even later … ‘Ik heb gezien dat een slang me beet, grootvader.'
‘Mooi, dat heeft te maken met een vrouw,' legde Aware uit, ‘je gaat trouwen!'
Aware liet zijn gast alle mogelijke dromen zien.
Ten slotte zei hij: ‘Nu gaan we slapen.
Het is klaar, nu bezit jij ook alle dromen.'
Zo gaf Aware dromen aan de Trio's maar eerst, heel, heel lang geleden dus wisten we niet wat dromen was.
De verteller Tuhtinpë zegt dat onze voorouders wisten dat we de dromen van Aware, een wïrïpë (bosgeest), gekregen hebben.
's Morgens wilde de Trio weer naar huis.
‘Ik ga weer,' zei hij.
‘Dat is best, mijn kleinzoon, maar wacht even.
Laten we eerst nog een keer samen eten,' stelde Aware voor.
De vrouw van Aware haalde het deksel van de vleespan af.
Tot zijn stomme verbazing zag de dromer dat er weer vlees op de botten zat!
‘Nou, zeg het maar. Wat wil je, mijn kleinzoon?
Wil je dit?
Wat heb je liever, de dromen die ik je gegeven heb of dit vlees?
Zeg maar wat je wilt.'
‘Ik heb geen idee, grootvader, maar ik kan het vlees niet meer kiezen.
Ik kan het niet nemen, hoewel ik het graag zou willen.'
‘Ik geef het je, jongen.
Ik geef het je, maar ja, je hebt eerst de dromen genomen.
Als je voor het vlees gekozen had, dan zou je dat gekregen hebben en daar zou je het meest aan gehad hebben.
Dan zou je het belangrijkste gekregen hebben.'
‘Ja, maar dat is jouw schuld, grootvader, want hier heb je me niets over verteld.
Je hebt gisteren niet gezegd: “Dit zal er met de botten gebeuren, morgen zal er weer vlees op de botten zijn.
”Dat heb je niet tegen me gezegd.
Je hebt niet gezegd: “Morgen zullen we het nog een keer eten.
” Zoiets heb je niet tegen me gezegd, grootvader.'
‘Ja, dat is waar,' moest Aware toegeven.
Maar goed, nu was het vlees er dan wel.
Ze aten het tot verbazing van de Trio voor de tweede keer.
‘Zo is hij dus,' dacht hij.
Na het eten ging hij naar huis.
‘Ik heb geen boskip gevangen,' zei hij tegen zijn vrouw.
‘Ik heb er wel een gevonden maar iemand anders was me net te vlug af.'
‘Wie was dat?'
wilde zijn vrouw weten.
‘Een oude man, Aware heet hij.'
Hij vertelde alles van zijn ontmoeting en zijn bezoek aan het dorp van Aware.
Hij vertelde ook alles over de dromen die hij gekregen had.
Toen ze die avond gingen slapen kreeg de man opnieuw een droom.
Toen hij weer wakker was vroeg zijn vrouw ‘Waarom heb je hier toch voor gekozen?
Wat is er met je aan de hand?
Waarom heb je voor die akelige dromen gekozen?
Je ligt steeds te kreunen als je slaapt.
Vroeger sliepen we altijd zo rustig samen.'
‘Nee, jij zal ook dromen krijgen,' zei de man.
‘Jij zal ook gaan dromen.
Ik heb het verkeerde gekozen en dat zal hij ook aan jou geven.'
En dat gebeurde ook.
Aware bracht zijn dromen ook naar de vrouw van de Trio en sinds die tijd hebben alle mensen dromen.
De man die ze als eerste gekregen had vertelde erover aan zijn familie.
‘Dat betekent deze droom en dat betekent die droom.
Als je een tand breekt, dan gaat je vrouw dood.
Dat betekent deze droom, dat betekent …'
Toen zijn vrouw sliep begon ze te kreunen … ‘Ik word gepakt door een jaguar,' kreunde ze.
‘Juist, dat heeft met geesten te maken,' vertelde haar man.
‘Oh, ik zie dat ik in mijn droom vermoord word,' riep ze even later.
‘Dat heeft met een jaguar te maken,' zei hij.
‘En als je door een doren gestoken wordt, is dat de ziel van een slang.'
Alles wat Aware hem had laten zien en alles wat hij van hem geleerd had, vertelde deTrio door aan zijn familie.

De ruimtevaart van de maan
© Cees Koelewijn/Stichting BIS
Een verhaal van sjamaan en meesterverteller Tëmeta Wetaru uit Tepoe, Zuid-Suriname ( + 1920-2002); met toestemming overgenomen uit Tëmeta inponopïhpë panpira (Testament van Tamenta)
Dit is het verhaal over Nunnë, de maan.
Heel lang geleden was de maan net een mens.
Onze voorouders zeiden: ‘Nunnë was een persoon, een mens.'
Wat dat betekent?
Misschien is hij lang geleden gestorven.
Er waren vroeger altijd al sterren aan de hemel, maar de maan is daar pas later verschenen.
Daarom zeggen ze dat Nunnë een man geweest is die tussen andere mensen gewoond en geleefd heeft.
Toen Nunnë een jonge man was waren er in de omgeving van Nunnë geen vrouwen, behalve zijn eigen zussen.
Toch wilde hij wel vrijen en dat kon dus alleen maar met zijn eigen zus.
Om haar te krijgen speelde hij op zijn fluit.
Hij speelde en speelde … tot midden in de nacht kon je hem op zijn fluit horen spelen.
Toen hij ophield met zijn fluitspel sloop hij naar de hangmat van zijn zus, die heerlijk lag te slapen.
Hij kroop bij haar in haar hangmat. Hij nam haar in zijn armen, en terwijl hij haar verkrachtte werd ze wakker.
‘Hé, wie ben jij?' vroeg het meisje, ‘wie ben jij?'
Nunnë zei geen woord.
Hij liet het meisje alleen en ging verder met zijn fluitspel.
De jonge vrouw vroeg zich af wie haar gepakt kon hebben.
‘Wie kan er nu toch bij me komen?
Er zijn hier geen mannen die met mij mogen slapen.
Wie kan het toch geweest zijn?'
Hetzelfde gebeurde nog een paar keer en ten slotte besloot ze het aan haar zuster te vertellen.
‘Ik vraag me af wie er toch iedere keer bij me komt,' zei ze.
‘Ja, dat vraag ik me ook af, want hij komt ook telkens bij mij,' antwoordde haar zuster.
‘Zou het onze broer zijn?
Ik heb hem gevraagd wie hij was, maar hij gaf geen antwoord.
Hij hield zijn mond dicht.
Wat zullen we doen?'
‘Goed dan.
Misschien is het echt onze eigen broer, want hij is de enige man hier in de buurt.
We moeten hem voor schut zetten.
Laten we hem met menu (zwarte verf) insmeren.
Laten we zijn gezicht zwart maken omdat hij niet wil zeggen wie hij is.
En dat willen we toch echt weten.'
Die avond speelde Nunnë weer op zijn fluit ‘ë hë hë hë hë ë hë hë hë hë … hë hë ë hë'
Na een poosje - het liep tegen middernacht - hield de muziek op…
Nunnë stond op en liep naar de hangmat van een van zijn zusjes.
Die verwachtte haar bezoeker.
Ze liet hem zijn gang gaan, maar terwijl hij haar weer verkrachtte smeerde ze de menu die ze
in haar handen had uit over zijn gezicht … kïi .. kïi .. kïi .. kïi … .
‘Wat doe je,' vroeg haar broer met een verdraaide stem en toen ging hij er snel vandoor.
De volgende ochtend was het gezicht van de jongen helemaal zwart … hij was
zonder dat hij het zelf besefte met een zwart gezicht wakker geworden.
Zijn zussen hadden met spanning naar de nieuwe dag uitgekeken.
‘Wie zal het zijn?' hadden ze zich allebei afgevraagd, ‘Wie zullen we te zien krijgen?
Als het onze broer niet is, dan is het goed, maar als hij het wel is, dan zal hij zich schamen.'
Toen hun broer tevoorschijn kwam zagen ze het direct … hij was het!
Het moest wel, want zijn gezicht was helemaal zwart, er was overal zwarte verf op zijn gezicht.
‘Ja, hij is het … het is onze eigen broer die ons te schande gemaakt heeft.'
Pas op dat moment begreep de jongen wat er gebeurd moest zijn.
‘Zeg, waarom heb je dat gedaan?'
vroegen de vrouwen die hij misbruikt had.
‘Je bent ontzettend slecht, want je hebt ons te schande gemaakt.
Je hebt je eigen zusters bedrogen.'
‘Is het waar, is het waar?' stamelde Nunnë.
‘Jullie hebben gelijk.
Daarom wil ik hier niet blijven.
Omdat ik dit met jullie gedaan heb, kan ik hier niet meer blijven.
Ik mag hier niet blijven en daarom ga ik weg.'
‘Ja, zo is het,' zeiden de jonge vrouwen.
‘Je hebt ons te schande gemaakt.
Omdat je ons misbruikt hebt houden we niet van je.'
Na het gesprek met zijn zusjes begon hij weer op zijn fluit te spelen.
Hij speelde die ochtend heel lang door.
Zijn jongste zusje Siwasiwaewa werd zo door zijn fluitspel betoverd dat ze verliefd op hem
werd en met de oudste van de twee, Sipasiparuru, gebeurde hetzelfde.
‘Ik ga weg,' zei Nunnë, ‘ik blijf hier niet, ik krijg een plaats aan de hemel, daar zullen jullie mijn beeld kunnen zien.
Ik zal daar aan de hemel zijn om jullie te verlichten.
Hij speelde steeds maar op zijn fluit, ook toen hij op weg ging naar zijn plaats aan de hemel.
Terwijl Nunnë al fluitspelend vertrok, raakten Sipasiparuru en Siwasiwaewa helemaal betoverd.
Het was alsof hij door zijn muziek met hen praatte en telkens hun eigen
namen noemde … ‘Sipasiparuru … Siwasiwaewa … ‘.
‘Oh … onze broer gaat weg!
Wat moeten we nu? Onze bloedeigen broer gaat weg!'
‘Ja, ik ga ook weg,' riep Siwasiwaewa.
Nu verlangden de vrouwen allebei naar hun broer.
Nunnë ging op weg naar zijn plaats aan de hemel al zingend en fluitend:
… ‘weeru .. weruru .. weweru .. … ‘weru weru .. weru .. siwasiwaewa … .'
Het was de fluit van Nunnë die dat zei en zijn zusjes konden de verleiding niet weerstaan om hem te volgen.
Ze namen afscheid en gingen achter Nunnë aan.
Sinds die tijd kunnen de mensen Nunnë aan de sterrenhemel zien.
Zijn vrouwen, dat wil zeggen zijn vroegere zusjes, zijn vlakbij hem als sterren.
En je kan ook nog altijd de zwarte verf zien die de maan op zijn gezicht heeft. Dat herinnert ons aan dat verhaal.
Onze voorouders vertelden dit verhaal vroeger niet zomaar.
Ze vertelden het ook met de bedoeling hun kinderen te waarschuwen.
‘Je mag niet net als Nunnë doen,' zeiden ze. ‘Je hoort geen gemeenschap te hebben met je zusters.
Je mag niet met je zusters slapen.
Daarom vertel ik je dit verhaal.
Ik wil niet dat je het alleen maar hoort.
Ik vertel het je omdat ik niet wil dat je je zuster lastig valt, omdat ik niet
wil dat je gemeenschap met haar hebt, ik wil niet dat je haar verkracht.
Ik meen het echt.' Dat zeiden de ouderen altijd tegen hun kinderen.
Ja, het is waar.
Zo was het.
De mensen waren vroeger onwetend.
Ze wisten niet hoe ze zich moesten gedragen.
‘Laten we dat niet doen,' zeiden de ouderen altijd.
Door dit verhaal worden we daaraan herinnerd.
Dit verhaal is niet zonder betekenis.
Copyright Toine de Jongh